Een ontluisterende tocht naar de concentratiekampen van Birkenau; Schandaal van de Poolse Auschwitz-Lüge

De Polen ontkennen de holocaust niet. Dat kunnen zij ook moeilijk doen, gezien het feit dat een groot deel van hen de moord op de joden van dichtbij heeft meegemaakt. Het merendeel van de vernietigingskampen bevond zich op Pools grondgebied en van begin tot eind waren zij getuigen van de holocaust. Toch kan gesproken worden van een Poolse variant van de 'Auschwitz-Lüge', in Auschwitz zelf.

Hoe zoiets mogelijk is, heb ik kunnen constateren tijdens een reis naar Auschwitz, die ik onlangs samen met mijn dochter maakte. Jaren geleden toen wij ons geboorteland Polen moesten verlaten, heb ik haar beloofd dat wij later, wanneer zij volwassen zou zijn, samen naar Auschwitz zouden gaan om de plek waar mijn ouders en haar grootouders werden vermoord op te zoeken. Ikzelf heb als enige overgeblevene van een hele grote familie Auschwitz overleefd.

Voordat ik mijn recente ervaringen in Auschwitz weergeef, wil ik eerst iets over Auschwitz zelf vertellen. Voor een beter inzicht is het belangrijk om enige feiten nog eens in herinnering te brengen.

In april 1940 kwam het bevel van SS-Reichsführer Himmler om in de stad Oswiecim een concentratiekamp te bouwen. De eerste arbeiders bij de bouw van het kamp waren 300 opgepakte joden uit de omgeving. In het begin zaten daar voornamelijk Poolse politieke gevangenen. In maart 1941 beval Himmler het kamp uit te breiden. Drie kilometer verderop werd een nieuw gedeelte gebouwd, temidden van een berkenbos. Dit deel werd bekend onder de naam Auschwitz II of Auschwitz-Birkenau en had de reusachtige oppervlakte van 40 vierkante kilometer. Het was op deze plek dat de massavernietiging van de joden heeft plaatsgevonden.

De eersten die in september 1941 in de gaskamer van het veel kleinere Auschwitz I met Zyklon B werden vermoord, waren 600 Russische krijgsgevangenen en 250 geselecteerde zieke gevangenen. Na dit eerste experiment kreeg de firma J.A. Topf de opdracht grotere gaskamers en crematoria in Auschwitz-Birkenau te bouwen. Vanaf maart 1942 kwamen dagelijks transporten joden aan, georganiseerd door het Reichssicherheitshauptamt. Een speciaal treinspoor leidde direct tot bij de gaskamers van crematoria II en III. Verder in het berkenbos in stonden crematoria IV en V met drie gaskamers elk (het kleine crematorium I bevond zich in Auschwitz I). Dagelijks kon men in elk van deze complexen 6000 mensen vernietigen. De aangekomen joden hadden er geen idee van wat er met hen ging gebeuren. De Duitsers vertelden hun dat zij, voor zij te werk zouden worden gesteld, een desinfectie moesten ondergaan en moesten douchen. De gaskamers waren ingericht als doucheruimtes. Een klein gedeelte van de joden zou inderdaad aan het werk gaan, de overgrote meerderheid werd onmiddellijk naar de gaskamers gebracht. Van maart 1942 tot november 1944 werden in Birkenau ongeveer 1,2 tot 1,5 miljoen joden afkomstig uit heel Europa vermoord.

Vanaf januari 1943 werden ook ongeveer 20.000 zigeuners naar Auschwitz gedeporteerd, waarvan de meerderheid in de gaskamers vermoord werd. Ook enkele honderden Poolse politieke gevangenen ondergingen dit lot. Op 7 oktober 1944 organiseerde het Sondercommando (joodse gevangenen die bij de crematoria werkten) een opstand en richtten vernielingen aan in crematorium IV. Vanaf november 1944 stopte men met het vergassen.

(Enzyclopädia des Holocaust, Jerusalem, pp. 116, 117, 1494).

De belofte, ooit aan mijn dochter gedaan, werd op 12 oktober jongstleden vervuld. We gingen naar Auschwitz, samen met een Poolse vriend, bij wie wij logeerden. Rondom het museum heerste een grote drukte. Vooral veel excursies met scholieren vielen mij op. Ik was daar een beetje mee ingenomen en vond dat zeer positief dat scholen in Polen soortgelijke excursies organiseren. Mijn optimisme was echter voorbarig, zoals later bleek. Omdat op dat ogenblik geen gidsen voor volwassenen beschikbaar waren, sloten wij ons met toestemming van de gids aan bij een excursie van scholieren, zestien tot zeventienjarigen, afkomstig uit het niet ver gelegen Krakow.

Het museum, opgericht in Auschwitz I, maakt een verzorgde indruk. Bij de muur, waar gevangenen werden doodgeschoten branden nu vele lichtjes en kaarsen, de muur is versierd met bloemen en kruisjes. Veel aandacht besteedt de gids aan ongekomen prominente Poolse gevangenen, zoals de priester Kolbe, nota bene een notoire antisemiet (hij was verbonden aan het vooroorlogse antisemitische tijdschrift 'Rycerz Niepokalany' - De smetteloze ridder). Hun cellen zijn met zorg ingericht. Met veel eerbied vertelde de gids over de strijd van de Poolse verzetsstrijders die hier omkwamen. Aan enkele grote foto's die hier en daar aan de muur hingen met onderwerpen als joden die op transport gingen en het leven in de getto's (een nieuwe aanwinst om aan te tonen dat hier toch wel iets over joden aanwezig is) schonk de gids geen aandacht. Als de gids wel iets over joden vertelde, was dat kort, droog, zonder een greintje medegevoel.

Het eerste dat wij over joden hoorden, was het verhaal dat speciale eenheden van de SS, meestal criminelen, werden opgeleid om wreed om te gaan met gevangenen. Het geld voor deze 'opleiding', vertelde de gids, kwam van de rijkdommen van de naar het kamp gebrachte vermogende joden. Bij de bergen haar, koffers, brillen en schoenen was geen toelichting dat alles afkomstig was van joodse transporten, overgebracht vanuit Auschwitz-Birkenau. Een artikel van R. Scharf in het Poolse tijdschrift 'Kultura' (Nr. 11, Paris, 1979) kwam plotseling in mijn gedachten op. Daarin schrijft hij onder andere dat er in de hele stapel kinderschoentjes geen te vinden zijn die niet van de voetjes van joodse kinderen waren afgerukt.

Er worden een paar brieven met dankzegging aan het Rode Kruis voor de verleende hulp tentoongesteld. Niet vermeld wordt dat het Rode Kruis geen enkele hulp aan de meest hulpbehoevende gevangenen gaf - de joden, die verstoken waren van alle hulp (zij hadden geen familie noch vrienden om pakjes van te krijgen zoals de anderen), terwijl het juist de joodse uitgemergelde gevangenen waren, die regelmatig voor de gaskamers werden geselecteerd.

Nog een voorbeeld van de volstrekt ongeïnteresseerde houding van de museumdirectie tegenover de joden: buiten liep onze groep een gebouw voorbij met het opschrift 'Zydowski Pawilon' (joodse paviljoen) zonder dat de gids hier aandacht voor vroeg. Ik vroeg haar waarom we niet naar binnen gingen. “We hebben de andere nationale paviljoenen ook niet bezocht, daarvoor hebben wij te weinig tijd”, was haar antwoord. Maar dit paviljoen is toch anders, zei ik (nota bene zijn de meeste andere nationale paviljoenen ook 'joods', zoals het Nederlandse!). Toen kwam de leidster van de groep scholieren naar mij toe en met dreigende, harde stem zei zij: “Mevrouw, wij hebben ons programma zo opgesteld dat onze leerlingen hier de Poolse martyrologie leren kennen. De joodse martyrologie is ons programma niet.” Het enige dat ik nog kon antwoorden was dat zij dan op de verkeerde plek waren.

Opeens kreeg ik een misselijk gevoel. Wat ik overhield van deze hele rondleiding was dat de gids, de excursies van de Poolse leerlingen, en ten slotte de opzet van het hele museum maar één doel dienen: het verdringen en verdoezelen van alle joodse lijden in de oorlog en alles wat er met de joden gebeurd is, juist op deze plek, en het daarvoor, kunstig opgepoetst, in de plaats stellen van de Poolse katholiek-nationalistische martyrologie. Maar dat was nog niet het ergste. De pijn en teleurstelling werden nog groter toen wij naar Birkenau gingen.

In tegenstelling tot Auschwitz I was het hier stil. Op het grote terrein waren hier en daar groepjes mensen. Ter linkerzijde van de voormalige 'Lagerstrasse' stonden nog de stenen blokken van het vrouwenkamp. Daar gingen wij het eerst heen. 'Mijn' blok stond er nog helemaal, zelfs de plaats waar ik geslapen heb, was er nog. We liepen rond, pijnlijke herinneringen kwamen weer naar boven. Aan de rechterkant van de 'Lagerstrasse', waar ooit houten barakken stonden en verder op het terrein van het mannenkamp, is weinig overgebleven. Een beetje verder ter linkerzijde kwamen wij de ruïnes van crematoria II en III tegen. Er hangt een bord met een toelichting. Dat is alles wat van de massa's mensen is overgebleven. Van heel Europa kwamen zij hier naartoe. Ver hoefden zij niet te lopen, hun levensweg eindigde hier zonder dat zij beseften waar zij naartoe werden gebracht.

Nu zijn er alleen nog ruïnes met een bordje, geen monument, niet eens een bescheiden grafsteen. Een monument is er wel verderop, maar dat is niet bedoeld voor de slachtoffers die hier waren omgebracht. Op dit omvangrijke monument staat een Grunwald-kruis en een opschrift in het Pools: “Aan de helden van Oswiecim, die hier omkwamen in de strijd tegen de nazi-volkerenmoordenaars, voor de vrijheid en waardigheid van de mens, voor vrede en broederschap onder de naties, in eerbied voor hun martelaarschap en helfhaftigheid, is verleend de order van het Grunwald-kruis 1ste klas - de Staatsraad van de Poolse Volksrepubliek - 16 april 1967”. Wat moet dit monument hier met dit pompeuze opschrift en een kruis? Voor wie is het bedoeld? Toch niet voor alle slachtoffers in Birkenau? Hier in Birkenau waren geen helden, geen strijders, alleen slachtoffers!

We moesten verder, naar het eigenlijke doel van onze reis, naar crematorium IV. Daar werden op 27 april 1944 mijn ouders vermoord. Door een buurman aan de Gestapo verraden, werden mijn ouders en ik naar Auschwitz gebracht en in de grote sauna, vlakbij het crematorium heb ik mijn ouders voor het laatst gezien. Wij liepen zoekend het bos. Nergens was een aanwijzing, een bord of iemand die ons de weg zou wijzen. Er waren enkele paadjes, maar welke moesten we kiezen? Inmiddels werd het laat en in het donker zou het onmogelijk zijn verder te zoeken. Wanhopig liepen we rond.

Uiteindelijk vonden wij een soort lege schuur in het bos. Een klein opschrift vermeldde 'sauna'. Dat was dan de plek waar ik mijn ouders voor het laatst zag, zonder zelfs afscheid te kunnen nemen. Helaas was er geen tijd om naar binnen te gaan, we moesten opschieten. Ik wist dat het crematorium hier dichtbij moest zijn. Inderdaad, een stukje verderop kwamen wij ruïnes tegen. Op een klein bordje was een opschrift 'Crematorium IV'. Verderop waren de ruïnes van crematorium V. Vlakbij stond nog een bord dat aangaf dat hier in crematorium IV de opstand van het Sonderkommando was uitgebroken. Verder niets, geen woorden van erkenning of sympathie voor de opstandelingen, terwijl hier de enige opstand in Auschwitz had plaatsgevonden. Misschien omdat de opstandelingen geen Polen, maar joden waren? In stilte stonden wij op deze door God en mensen verlaten plek. Met bloedend hart vroeg ik mijn ouders om vergiffenis, en ook alle anderen die hier waren vermoord. Vergiffenis voor deze verwaarlozing en het niet kunnen voorkomen dat zij in de algehele vergetelheid waren geraakt.

Over enkele jaren zullen de ruïnes verder inzakken, het kreupelbos zou alles bedekken tot er niets meer overblijft. En dan kan men in Polen over de 'Birkenau-Lüge' spreken. Wij liepen terug, verdiept in treurige, bittere gedachten. In het donker waren alleen nog de massieve contouren van het omstreden monument zichtbaar.

De nazi's die de moord op de zes miljoen Europese joden hebben begaan, probeerden de sporen van hun misdaad zorgvuldig uit te wissen. Zo te zien zijn de Polen trouwe uitvoerders van hun testament. Ook zij zijn bezig de sporen van de joodse tragedie en de misdaad de joden in Auschwitz aangedaan, grondig te vernielen.

Hoe is zo iets mogelijk? Dat heeft alles te maken met het feit, dat de Polen - de machthebbers, de organisaties van het voormalig verzet en beheerders van Auschwitz, vanaf het eind van de Tweede Wereldoorlog een onderscheid maakten tussen Stammlager Auschwitz I, en Auschwitz II/Birkenauw waar de echte shoah plaatsvond. Dáár werden 1,2 tot 1,5 miljoen joden vermoord, waar de Polen niets mee te maken willen hebben, alleen het aantal slachtoffers interesseert hen. Daaromheen hebben zij de mythe gecreëerd dat zij, de Polen, de echte slachtoffers waren van de holocaust. Zij zijn bezig het grootste vernietigingskamp en de grootste joodse begraafplaats ter wereld uit het historisch geheugen van de mensheid te wissen.

Daarom vraag ik iedereen die dit ook een schande vindt en invloedrijke instanties en organisaties om bij de Polen te protesteren tegen dit ontoelaatbare gedrag van opzettelijke verwaarlozing van de joodse overblijfselen en tegen de minachting voor het joodse aandeel in het lijden in Auschwitz, dat op deze plek vele malen groter was dan het Poolse. Desnoods moet men hen daartoe dwingen door aan het Auschwitz-museum elke hulp en steun die het uit de hele wereld krijgt, ook uit Nederland, te onthouden, totdat zij hun uiterst laakbare houding tegenover de joodse slachtoffers wijzigen.