De werking van het islamitisch fundamentalisme

Guilain Denoeux: Urban Unrest in the Middle East, A Comparative Study of Informal Networks in Egypt, Iran and Lebanon 324 blz., State University of New York Press 1993, ƒ 47,60 (paperback)

De vraag waarom het islamitisch fundamentalisme alleen in Iran met succes een revolutie ontketende heeft vele Midden-Oostendeskundigen bezig gehouden. Waarom slaagden revolutionaire islamitische bewegingen er niet in om elders in het Midden-Oosten de seculiere regimes omver te werpen? De discussies die hieruit ontstonden doen enigszins denken aan de marxistisch literatuur over het uitblijven van een socialistische revolutie in West Europa. Sociaal-economische factoren worden aangedragen om datgene te verklaren 'wat er niet is'. Politiek-economen maken zich meestal niet druk om de specifieke eigenschappen van de revolutionaire bewegingen zelf. De politicoloog Guilain Denoeux denkt dat juist uit de interne manieren van organisatie en opereren van islamitische bewegingen de mate van hun succes is af te leiden. Hij komt met deze invalshoek een heel eind verder dan zijn collega's die ruziën over de 'harde' economische cijfers.

Denoeux veronderstelt dat de dramatische bevolkingsgroei in de grote steden van het Midden-Oosten één van de belangrijkste redenen is geweest van de opkomst van het islamitisch fundamentalisme. Maar in tegenstelling tot politiek-economen stelt hij zich niet tevreden met statistieken. Cairo groeide immers sneller dan Teheran en toch was het fundamentalisme in de Egyptische hoofdstad niet in staat de stabiliteit van het regime te ondergraven. Het verschil moet daarom zitten in de verschillende wijzen waarop islamistische bewegingen zich wisten te organiseren.

Islamistische bewegingen blijken zich veelal op een zeer informele wijze te organiseren. In tegenstelling tot hun seculiere opponenten ontwikkelden zij zich niet tot 'politieke machines' compleet met lidmaatschapskaarten, een formeel bestuur en vastomlijnde doelstellingen. Fundamentalisten daarentegen begrepen dat juist onder een autoritaire bewind het ontwikkelen van een 'informeel netwerk' van persoonlijke relaties de enige manier is om zich aan de overheidsrepressie te onttrekken. Deze bonte verzameling van vriendenclubs, religieuze genootschappen en locale 'patrons' zorgde ervoor dat de sociale situatie in de afbraakbuurten van het Midden-Oosten iets leefbaarder werd. Zij vormen de laatste strohalm voor dorpelingen die na hun trek naar de grote stad geconfronteerd worden met verpaupering, anonimiteit, verwesterlijking en secularisatie. Door de frustraties van de stedelijke onderklassen op te vangen wisten zij in belangrijke mate de sociale vrede te bewaren. Maar volgens Denoeux zijn deze informele netwerken ook de plaats geweest waar utopistische en radicale fundamentalistische bewegingen gedijden. Onder bepaalde omstandigheden lieten deze netwerken van 'zelfhulp' hun tanden zien.

Mollahs

Cruciaal is dat deze gefragmenteerde netwerken onder invloed staan van een krachtige 'contra-elite' die er belang bij heeft om het zittende regime uit de weg te ruimen. Ontwikkelingen in Iran en Libanon illustreren dat migranten van het platteland niet in staat waren zelf het regime te ondergraven. Zij moesten daartoe gemobiliseerd worden. In Libanon namen de nieuwe sectarische leiders van Beiroet deze taak op zich. In het Iran van vlak voor de revolutie speelde de coalitie tussen kooplieden van de bazaar en de shiitische geestelijkheid (de ulema) wat dit betreft een grote rol.

In Iran en Libanon wisten deze contra-eliten zich onafhankelijk van het regime op te stellen. Wat zich nu precies afspeelde in de onoverzichtelijke steegjes van de Iraanse bazaar moet zelfs voor de Savak, de beruchte veiligheidsdienst van de shah, een raadsel zijn geweest. De alom gerespecteerde ulema zochten hun toevlucht in de moskee's. Door elkaar te ondersteunen konden bazaar en moskee hun invloed doen gelden in de verste uithoek van het klassen-mozaïek van de Iraanse steden. Op deze wijze konden de grieven van een middenklasse-beweging uitgroeien tot een massale opstand. In Egypte daarentegen vonden de slogans van fundamentalistische groepen zoals de Jihad en Takfir wa al Hidjra alleen gretig gehoor op de universiteitscampus. Zij waren niet in staat om een massa op de been te krijgen. Tegelijkertijd bleef de morrende elite in Egypte afhankelijk van de staat die haar monddood had gemaakt door rijkelijk te strooien met subsidies, smeergelden en andere privileges.

Wil nu de onafhankelijke contra-elite in beweging komen dan moet zij zich in sterke mate bedreigd voelen door 'vijandelijke krachten'. Denoeux typeert fundamentalistische netwerken daarom als voornamelijk 'defensieve bewegingen'. In Libanon ging deze gevoelde dreiging uit van de confrontatie tussen de verschillende secten (soennitisch, druzisch, shi'itisch en maronitisch). Urbanisatie leidde ertoe dat de sectarische confrontaties zich niet alleen meer uitten in een landelijke spreiding van gemeenschappen maar zich concentreerden in de benauwde omgeving van de stad. Dit maakte de angst voor de rivaal urgenter dan ooit. In Iran joeg het onverschrokken moderniseringsbeleid van de shah de bazaar schrik aan. Zo deinsde de shah er niet voor terug om dwars door een bazaar in Teheran een snelweg aan te leggen alsof hij daarmee wilde aangeven dat ook de door hem verachte kooplieden de 'vaart der volkeren' niet mochten weerstaan. De Iraanse geestelijkheid voelden zich op haar beurt bedreigd door de verwesterlijking en decadentie die modernisering met zich meebracht. Denoeux onderstreept dat de mollahs niet enkel uit berekening morele en culturele angsten als instrumenten gebruikten om de macht over te nemen. De dreiging van moreel verval en verlies van persoonlijke (islamitische) integriteit vormden de raison d'être van de revolutie.

Broederschap

Als laatste omstandigheid waarin fundamentalisme zich ontwikkelt tot een massabeweging noemt Denoeux een 'zwakke of plotselinge verzwakte en besluiteloze centrale autoriteit'. De praktisch totale vernietiging van de staat in Libanon spreekt wat dit betreft voor zich. De shah van Iran werd geteisterd door zijn zwakke gezondheid. Tegelijkertijd bleek zijn belangrijkste bondgenoot de Verenigde Staten zich ineens zorgen te maken over de mensenrechtensituatie in zijn land. De shah verraadde zijn verlies aan zelfvertrouwen door een aarzelende opstelling en een beleid vol tegenstellingen. De Iraanse revolutionairen voelden hierdoor aan dat het laatste uur van het regime geslagen had. In Egypte daarentegen wist het regime, volgens Denoeux, zijn 'coercive power' onbetwist te doen gelden.

Het betoog van Denoeux is voor wat Iran en Libanon betreft tot zover vrij overtuigend. Wat hij echter niet constateert is een langzame maar evidente verandering in de Egyptische situatie. Al sinds de jaren zeventig is ook hier sprake van een gevoelde culturele dreiging die uitgaat van de verwesterlijking van het land. Islamitische leiders spelen met succes in op de publieke verontwaardiging die deze verloedering van islamitische normen te weeg brengt. Nieuw is echter dat vanaf de tweede helft van de jaren tachtig het regime van Moebarak aan daadkracht en vastbeslotenheid heeft ingeboet. Belangrijker nog is dat de Egyptische islamitische beweging in de jaren tachtig de eerste voorwaarde van Denoeux is gaan vervullen. De Moslim Broederschap en verwante islamistische organisaties (de 'contra-elite') hebben zich in grote mate aan de greep van het regime ontworstelt. Een financiële onafhankelijkheid uit zich in de geldstromen die Egyptische sympathisanten van de Moslim Broederschap vanuit hun buitenlandse ondernemingen aan de beweging overmaken. Met dit kapitaal verwierf de islamitische beweging zich ook steeds meer een organisationele onafhankelijkheid. De broederschap ontwikkelde allerlei diensten op het gebied van gezondheidsvoorzieningen, private kredietverlening, werkgelegenheid en morele (lees: islamitische) bijstandsverlening voor gestrande individuen in een metropool als Cairo. De doeltreffendheid waarmee de Egyptische Moslim Broederschap hier te werk gaat bleek na de aardbeving van oktober vorig jaar. Terwijl Moebarak's bureaucraten nog de nodige paperassen over en weer schoven, trokken moslimbroeders de slachtoffers onder de puinhopen vandaan.

Tot het midden van de jaren tachtig kunnen de drie voorwaarden van Denoeux het uitblijven van een islamitische revolutie in Egypte misschien verklaren. Maar nu de situatie in Egypte voor wat deze voorwaarden betreft steeds meer een gelijkenis vertoont met het revolutionaire Iran, komt een grove lacune in zijn betoog tot uiting. Denoeux gaat er namelijk van uit dat fundamentalistische bewegingen per definitie revolutionair zijn. Een meerderheid binnen de Egyptische Moslim Broederschap heeft echter gekozen voor een 'lange mars door de instituties' teneinde de islamitische staat te verwezenlijken. Tot dusver weet deze 'gematigde' stroming radicalere groepen buiten spel te zetten.

Mohammed

Denoeux vraagt zich ten slotte af waarom de beschreven protestbewegingen zonder uitzondering een beroep deden op de islam. Aannemelijk klinkt zijn bewering dat de informele netwerken waar de oppositie op kon inspelen al islamitisch van karakter waren. De 'burgerlijke maatschappij' had zich alleen in de vorm van islamitische genootschappen en religieuze informele verbanden, los van de autoritaire staat, weten te organiseren. Autoritaire regimes gedoogden deze islamitische netwerken uit vrees dat onderdrukking hier zou leiden tot verlies van hun legitimiteit. Ook aannemelijk klinkt het argument dat alleen de islam de verdeeldheid onder de oppositie kon neutraliseren. Denoeux slaat echter de plank mis wanneer hij de lezer wil doen geloven dat de informeel georganiseerde fundamentalistische bewegingen automatisch terugvielen op de profeet Mohammed omdat deze 1400 jaar geleden ook al vertrouwde op 'familiebanden, vriendschappen en andere persoonlijke relaties en loyaliteiten'. Denoeux geeft hier toe aan de hardnekkige neiging om het moderne Midden-Oosten te verklaren aan de hand van de archaïsche samenleving die in de Koran geschetst wordt. De huidige opleving van het islamitisch fundamentalisme in het Midden-Oosten moet veeleer gezien worden als het gevolg van de desastreuze werking van seculiere ideologieën zoals het socialisme en het Arabisch nationalisme en de gebrekkige overtuigingskracht van het liberalisme. Zo heeft in Egypte een groot aantal politici en intellectuelen de seculiere heilstaat ingeruild voor het paradijs van het islamisme. De fundamentalist lapt Fukuyama's 'einde der ideologieën' simpelweg aan zijn laars en biedt het grote publiek een begrijpelijk en hoopgevend alternatief.

Ondanks deze bezwaren geeft Denoeux een belangrijke aanzet tot een beter begrip van de werking van het islamitisch fundamentalisme. Het is jammer dat hij voor zijn vergelijkende studie als derde land Libanon heeft gekozen. Door de extreem afwijkende situatie in dit land wordt zijn betoog soms wel erg onoverzichtelijk. Beter was het geweest om Algerije in de analyse te betrekken, zeker omdat de ontwikkelingen daar in een land als Egypte dienen als inspiratiebron, maar ook als 'horror-scenario'. De originele benadering van Denoeux maakt zijn boek echter een aanrader voor iedereen die kennis wil maken met het moderne Midden-Oosten zonder zich te hoeven worstelen door de talrijke cliché's over islam, de Palestijnse kwestie en 'de Arabische arena' waar al zoveel boekenkasten mee volgeschreven zijn.