'De wereldeconomie heeft weinig te verwachten van Gatt-akkoord'

De bekende Amerikaanse econoom Lester Thurow meent dat 'de belangrijkste handelsvraagstukken niet bij de Uruguay-ronde aan de orde zijn geweest'. En dus is er voor de wereldeconomie 'nauwelijks resultaat te verwachten' van het GATT-akkoord dat deze week werd gesloten.

“Als politici en onderhandelaars zeggen dat de succesvolle afsluiting van de Uruguay-ronde voor het eind van het millennium de wereldeconomie met 274 miljard dollar extra zal vergroten, dan vind ik dat op een bruto mondiaal produkt van 30.000 miljard dollar maar uitermate bescheiden.” Lester Thurow, hoogleraar aan het Massachusetts Institute of Technology en auteur van bestsellers als The Zero Sum Solution en Head to Head zei dit begin deze week in de marge van een bijeenkomst in Keulen van de Duitse MIT Club, een vereniging van oud-afgestudeerden aan de Amerikaanse elite-universiteit.

Volgens Thurow zijn in de Uruguay-ronde essentiële problemen met betrekking tot de hervorming van de GATT niet aan de orde geweest. Zo blijft de vorming van handelsblokken indruisen tegen de kern van een open wereldhandelsstelsel - het systeem van de meestbegunstiging. Belangrijke hervormingskwesties, zoals de vraag hoe de wereldeconomie een nieuwe impuls kan worden gegeven, of de vraag hoe de voormalige communistische volkseconomieën in het wereld-handelssysteem moeten worden geïntegreerd, zijn ter zijde geschoven.

De zelfbeperkingsakkoorden tussen de VS en Japan op de halfgeleidermarkt en tussen de Europese Unie met Japan met betrekking tot de import van auto's in Europa geven volgens hem een beeld van het toekomstige wereldhandelssysteem, dat zal worden gekenmerkt door handelsblokken en managed trade. Thurow: “Het Amerikaans-Japanse halfgeleider-akkoord is gebaseerd op een wederzijdse concessie van 20 procent marktaandeel en de impliciete afspraak dat de rest van de wereldmarkt fifty-fifty kan worden verdeeld.”

De GATT-onderhandelingen hadden zich volgens de MIT-hoogleraar ook moeten richten op de problemen van de ex-communistische landen en hun integratie in het wereldhandelssysteem. Dat acht hij hoogst noodzakelijk gezien de Oekraïense graanschuur en het gevaar dat de grondstoffenmarkten worden overspoeld door goedkoop aanbod uit de vroegere Sovjet-Unie. Tussen 1970 en 1990 zijn naar zijn zeggen de grondstoffenprijzen in de wereld met gemiddeld 40 procent gedaald. In de komende twintig jaar voorziet hij een verdere daling met 40 procent, niet in de laatste plaats als gevolg van de enorme bodemschatten van Rusland. Dergelijke cruciale kwesties blijven als vette vraagtekens achter de 'succesvolle afronding' van de GATT-onderhandelingen staan.

“De Noordamerikaanse Vrijhandelszone (NAFTA) is Amerika's antwoord op de economische en politieke integratie van Europa”, meent Thurow. “Zonder de EG was NAFTA er nooit gekomen. Brussel heeft de wereldhandel de weg naar de vorming van semi-handelsblokken op gestuurd, waartussen de betrekkingen langs officiële weg worden geregeld.” Naast de twee uiteendrijvende handelsblokken NAFTA en Europese Unie tekent zich tegen het eind van dit decennium, zo vervolgt Thurow, de vorming van een 'Chinees commercieel en economisch blok' in Azië af dat, met de Volksrepubliek China als groeikern, de regionale economische expansie van Japan wel eens tot staan zou kunnen brengen.

Thurow die zegt 'positief tegenover de ideeën van Maastricht' te staan, ziet geen oplossing voor de huidige economische crisis. Hij vergelijkt de bestaande situatie in de wereldeconomie met het toneelstuk Wachten op Godot. Het kan nog heel lang duren 'tot Godot, het internationale conjunctuurherstel, komt'. Europa en Japan zouden er volgens hem goed aan doen er dit keer nu eens niet van uit te gaan dat Amerika de internationale conjunctuurtrein wel weer zal trekken.

“Er staat ons waarschijnlijk een heel lange periode van heel geringe mondiale economische groei en van enorme verliezen aan werkgelegenheid te wachten. Indien bij een mondiale produktiviteitsstijging van 2,5 procent per jaar de vraag slechts met 1,5 procent groeit, zal in de hele wereld jaarlijks een procent van de werkenden zijn baan verliezen. Alleen kan niemand van tevoren zeggen in welk land het werkgelegenheidsverlies gaat optreden.”

“Voordat de thans bestaande mondiale overcapaciteit van 30 procent in de belangrijkste produktiesectoren is weggewerkt, kan het werkloosheidscijfer in Europa nog best eens oplopen tot het huidige niveau in Spanje, Ierland en Finland”, waarschuwt Thurow. In deze drie landen bedraagt de werkloosheid 20 tot 25 procent van de beroepsbevolking.

Overigens wijst Thurow er nadrukkelijk op dat de huidige economische crisis optreedt na de belangrijkste economische welvaartsgolf uit de wereldgeschiedenis (1955-1990). Daarnaast is er thans, in tegenstelling tot de mondiale economische crisis tussen de beide wereldoorlogen, geen sprake van een krimpende wereldeconomie: in de afgelopen vijf jaar is volgens Thurow de wereldeconomie altijd nog met gemiddeld 1,5 procent per jaar gegroeid.

“Maar in de auto-, vliegtuig- en computerindustrie benutten we nog maar de helft van de mondiaal beschikbare produktiecapaciteit. We zouden op elke auto, elk vliegtuig en elke computer die we nu fabriceren, er nóg een kunnen maken.” Wat betreft de crisisstemming in het verenigde Duitsland stelt Thurow: “Veel Japanse ondernemingen zouden blij zijn met de zorgen van de Duitse economie.”

Van de drie grote economische blokken is het op het ogenblik Japan dat met “de grootste problemen kampt: de scherpste groeidaling, Italiaanse toestanden in de regering, een crisis in het bankwezen waar maar geen eind aan komt, ongekende verliezen bij Japanse bedrijven, een beurskrach omvangrijker dan het waardeverlies van Wall Street tussen 1929 en 1932, en ten slotte een ingestorte vastgoedmarkt.”

De Westerse industrielanden staan, aldus Thurow, voor drie levensgrote, structurele uitdagingen. “Ten eerste is het nodig de helft van 's werelds landmassa met daarop 40 procent van de mensheid, ofwel de vroegere communistische wereld, in de wereldeconomie te integreren. Ten tweede moet het GATT/Bretton Woods-systeem dat na de Tweede Wereldoorlog door de VS in het leven is geroepen, integraal worden gereorganiseerd, en ten derde moet de geïndustrialiseerde wereld consequenties trekken uit de technologische revolutie.”

Volgens Thurow bieden de jaren negentig de historische mogelijkheid - net zoals in de tien jaar van wederopbouw onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog - om “de basis te leggen voor ettelijke tientallen jaren van wereldeconomische bloei”. Anders dan bij de nieuwe start na de oorlog zullen de Verenigde Staten dit keer echter niet de wereldeconomische spelregels kunnen dicteren.

Amerika, dat destijds goed was voor 75 procent van het bruto mondiaal produkt, heeft thans nog maar een aandeel van 23 procent in de totale economische activiteit. Thurow: “Daarom zullen de Europeanen in dit decennium en in de 21ste eeuw in een gunstige uitgangspositie verkeren om de wereldeconomische spelregels vast te stellen”. Met het Europa van 'Maastricht' als kern is West-Europa in de gelegenheid een sleutelrol te spelen in de opbouw van de nieuwe markteconomieën in Midden- en Oost-Europa alsook in de voormalige Sovjet-republieken. Daarnaast zal Europa wellicht op de langere termijn worden gedwongen een commercieel en economisch blok te vormen met het noordelijk deel van Afrika, om te voorkomen dat het door steeds groeiende immigratiestromen in moeilijkheden komt.

© Copyright: Handelsblatt