De Warburg-dynastie; Geld, kunst en vooral ambitie

Ron Chernow: The Warburgs. The 20th century odyssey of a remarkable Jewish family 820 blz., geïll., Random House 1993, ƒ 65,60

De Amerikaanse biograaf Chernow is niet over één nacht ijs gegaan: hij leerde Duits voordat hij aan zijn boek begon. Afgezien van het uitgebreide archiefwerk en de 150 interviews die hij afnam, beslaat de boekenlijst 400 titels en dat alles werd geregistreerd op 25.000 indexkaarten.

In een dynastieke geschiedenis waarin het om honderden mensen gaat, is het vanzelfsprekend dat de nadruk ligt op een veel kleiner gezelschap. Maar ook de vluchtiger beschrijving van zovelen is boeiend, zowel uit het oogpunt van tijdsbeeld als om het persoonlijke vignet. Zelden las ik een zo pregnant portret van Hjalmar Schacht, van Albert Ballin, de schepper van de Hamburg-Amerika Lijn, van Carl Melchior, de indrukwekkende jurist, die zo'n grote rol speelde bij de vredesbesprekingen van Versailles, van Chaim Weizmann, de zionistenleider, die ook nog een jarenlange verhouding had met één van de Warburg-dochters; van George Gershwin, voor wie hetzelfde gold, zij het met een andere dochter; van de Duitse verzetsheld Adam von Trott (weer met een andere dochter) en tientallen anderen. Maar de nadruk ligt op de vijf broers Warburg, kinderen van Moritz en Charlotte Warburg, van wie vier beroemd werden in Duitsland en de VS aan het eind van de negentiende en in de eerste decennia van de twintigste eeuw. En verder op hun neef Sir Siegmund Warburg, de fameuze bankier van het Londense huis uit de recente geschiedenis.

Stamvader

De stamvader is Simon von Cassel, die zich in de zestiende eeuw onder bescherming van de Prins-Bisschop van Paderborn in de Westfaalse stad Warburg vestigde. Zijn achterkleinzoon verhuisde naar Altona buiten Hamburg, waar joden pas een eeuw later werden toegelaten. In 1773 vestigt een nakomeling, Gumprich Marcus Warburg, zich in Hamburg, waar zijn zoons Moses en Gerson de bank M.M. Warburg & Cy. stichtten, ongeveer in dezelfde jaren waarin de Rothschilds in Frankfurt begonnen. De beide families zouden wel banden met elkaar onderhouden maar de Rothschild-geschiedenis is vele malen beschreven terwijl de Warburgs een veel minder opvallende staat voerden. In die vroegere Warburg-geschiedenis speelden de vrouwen een belangrijke rol. De kracht, de ambitie en in veel gevallen ook de uitzonderlijke talenten, verenigden zich in die vroegere periode in veel gevallen in de moeders. Ze hielden zich aan het joodse geloof, niet in de strikt orthodoxe zin, maar wel in de diepe traditionele zin van synagoge-bezoek, streng inachtnemen van de joodse feestdagen, bar-mitzwah's en uiteraard huwelijken.

Van de vijf broers uit het einde van de 19de eeuw Aby, Max, Paul, Felix en Fritz speelden vier een zeer prominente rol. Fritz was wel firmant maar zonder grote ambitie. Aby werd één van de grootste kunsthistorici van zijn tijd. Ook hij was firmant, maar hij deed er niets aan. Zijn aandeel in de winst was een arrangement met de firma, dat hij onbeperkt boeken kon kopen en zo ontstond de, naar het oordeel van de wetenschappelijke wereld, grootste verzameling kunsthistorische werken van deze eeuw (80.000 stuks). Door een gewiekste transactie is die verzameling uit de nazi-klauwen gered, die de zaak zeker in het vuur zouden hebben geworpen. Zij is nu ondergebracht in het Warburg-instituut in Londen.

Aby was een geniaal geleerde maar vaak op de rand van geestelijke instabiliteit. Depressies en psychoses waren aan de orde van de dag. Het is trouwens opvallend hoeveel depressies bij de Warburgs voorkwamen. Er waren in die jaren nog geen geneesmiddelen voor die ziekte. Wel lange verblijven in daartoe geschikte sanatoria. En meestal ging het ook weer over.

Paul en Felix verdwenen naar de VS waar ze beiden een uitzonderlijk profitabel huwelijk sloten, Paul met een dochter van Solomon Loeb, Felix met een dochter van Jacob Schiff. Loeb en Schiff behoorden als firmanten van het bankiershuis Kuhn, Loeb tot de prinsen van de joodse bankierswereld van New York.

Paul had grote kennis en belangstelling voor openbare financiën en werd één van de grondleggers van de centrale bank van Amerika, het 'Federal Reserve' systeem. Hij werd in 1913 lid van de Federal Reserve Board - weer een bewijs van de mobiliteit van de Amerikaanse samenleving, want hij was nog maar heel kort genaturaliseerd.

Felix was de meest joyeuse Warburg, een vrolijke Frans: veel zeilen, veel jagen en veel vriendinnen. Een paleis op Fifth Avenue (het gebouw staat er nog op nr. 1199) maar bovenal een toegewijde filantroop en tot zijn dood in 1937 de vereerde pater familias van de joodse gemeenschap in Amerika. Voorzitter van ontelbare joodse organisaties, ziekenhuizen en hulpcomités, een vraagbaak en reddingsboei voor duizenden.

In Hamburg, de centrale stad voor de Warburgs, was de clan verdeeld in twee groepen, genoemd naar de buurt waar hun huizen stonden, de Alsterufer en de Mittelweg. Tot de komst van Sir Siegmund naar Londen in 1934 waren de Mittelweg Warburgs (waartoe de vijf broers behoorden) de dominante factor. Eén van de vijf, Max Warburg was tot de nazi-tijd de grote man van de Hamburgse firma. Aan hem voltrok zich het drama van de Duitse joden. De Warburgs voelden zich met alle vezels Duitse patriotten en dat ondanks het Duitse anti-semitisme. Het was waar, dat in de periode na 1871 en onder de Weimar-republiek er vrijwel geen rem bestond op de bloei en invloed van het Duitse jodendom. Max Warburg, maar ook Melchior, Ballin, Rathenau, de Mendelssohns, ontelbare academici, musici en schrijvers waren hecht verankerd in de Duitse samenleving. Toch was het nooit een leven zonder de dimensie van het anti-semitisme. Ze waren daar op een merkwaardige wijze aan gewend en verblind door hun dikwijls fabuleuze succes.

Ongekroonde koning

Max was de ongekroonde koning van Hamburg. Er was nauwelijks een belangrijke onderneming, waar hij geen commissaris was, maar ook in het publieke leven stond hij vooraan. Hij was met Carl Melchior lid van de Duitse delegatie bij de vredesbesprekingen in Versailles. Hoewel beiden de regering adviseerden de vredesvoorwaarden niet te accepteren, zorgden de nazi's ervoor dat ze als de uitverkopers van het Duitse belang werden geportretteerd. Onder Weimar werd Max zowel het ministerschap van Buitenlandse Zaken als dat van Financiën en het ambassadeurschap in de VS aangeboden. Maar hij weigerde omdat hij van mening was dat joden zich niet teveel moesten exponeren. Zijn vriend Rathenau accepteerde wel, en werd later vermoord.

Bij Max ging de verblinding verder dan bij de andere Warburgs. Hij zag de nazi's als een voorbijgaand kwaad - een soort Dreyfus-affaire. In 1936, een jaar na de Neurenberger wetten, sprak hij een neefje toe bij diens bar-mitzwah en eindigde zijn rede met de woorden: 'Vergeet nooit, dat je een Duitser bent''. Enige maanden later zag zelfs Max, dat het afgelopen was. Hij was één van de laatsten die emigreerden, met achterlating van alles. Hij leefde nog jaren in de VS, genereus geholpen door zijn Amerikaanse familie, als een uitgebluste 'displaced' man.

Siegmund

Het laatste deel van het boek is gewijd aan Siegmund Warburg (door premier Harold Wilson geridderd). Ik heb dat stuk met extra belangstelling gelezen want ik heb hem meer dan 25 jaar van zeer nabij gekend. Er is over twee dingen een consensus. Hij was één van de grootste bankiers van onze generatie en hij was een ongewoon singuliere man. Over zijn karakter zijn de meningen verdeeld en Chernow bevindt zich wat dat betreft aan de kritische kant. In tegenstelling tot zijn oom Max, had Siegmund een scherp inzicht in de demonie van de nazi's. Na een gesprek met de toenmalige Duitse minister van buitenlandse zaken von Neurath, hield hij het reeds in 1934 voor gezien. Hij stuurde vrouw en kinderen naar Zweden en verdween zelf naar Londen.

Hij werd geboren als enig kind van een zwakke, ziekelijke vader, die zich aan de landbouw wijdde en van een uiterst sterke moeder. De band met zijn moeder, die op zeer hoge leeftijd in Londen overleed, was de enige werkelijk schaduwloze relatie in zijn leven. Zijn verhouding met zijn uitzonderlijk mooie, zuivere en dienende vrouw was gecompliceerd en die met zijn zoon en dochter werd bepaald door de allesoverheersende, veeleisende vader. Zijn betrekkingen met collega's, vrienden en medewerkers waren wispelturig. Hij bouwde die zonder reserves op en liet ze dan bijna altijd zonder reserves vallen.

Siegmund moest in Londen van voren af aan beginnen, hoewel de naam Warburg toch meer deuren opende van het Engelse establishment dan mogelijk zou zijn geweest bij een doorsnee joods-Duitse emigrant. Maar het begin was moeizaam. Een klein clubje van zijn Duitse emigranten-soortgenoten hielp hem daarbij. Later werden die in de firma de 'uncles' genoemd. Eén van hen was de bescheiden en ongewoon knappe bankier Henry Grünfeld. Hij is nu negentig en al jaren op papier weg uit de Warburg-groep. In de praktijk betekent dat, dat hij in plaats van om acht uur, iedere dag nog om negen uur ten kantore verschijnt.

De grote doorbraak voor Siegmund voltrok zich in het overname-gevecht om British Aluminium in 1958. Hij won dat gevecht tegen het grootste stuk van het traditionele Britse bank-establishment en hij schudde daarmee eigenhandig de City wakker. Na dat gevecht konden de, om half elf 's morgens op kantoor komende, Britse bankiers, die donderdags hun weekend begonnen, niet langer Warburg negeren. Nadat hij ook nog de Eurobond Markt had gecreëerd, ontwikkelde de firma zich tot één van de meest vooraanstaande merchant banken ter wereld.

IJzeren discipline, totale controle, bewuste soberheid en tomeloze creativiteit kenmerkten zijn regime. Er gebeurde niets zonder hem. Hij beschikte over een netwerk van relaties en niet alleen in de geldwereld. Jean Monnet, Harold Wilson, Mitterrand en tientallen anderen hielden de deur altijd voor hem open. Kissinger, ook toen hij Secretary of State was, sloeg in zijn overbezette programma Siegmund Warburg nooit over. Wat zijn collega's en medewerkers betrof, werd zijn relatie bepaald door een onuitroeibaar bezitsinstinct. Een werkelijke relatie met hem was alleen mogelijk door een voortdurend onderstrepen van onafhankelijkheid. Er waren er niet veel, die dat aandurfden.

Hij had een sterke, charismatische persoonlijkheid. Hij weigerde zich aan te passen aan de in zijn kring bestaande Britse mores. Hij was geen lid van een club, hij ging nooit naar een diner van meer dan acht mensen en het kantoor was smaakvol maar sober ingericht. Er werd aan de lunch geen alcohol geschonken, terwijl bij de concurrenten om drie uur de zevende Chateau Latour doorkwam. Hij las vier of vijf boeken per week en in de weekends voornamelijk de Griekse en Latijnse klassieken. Hij heeft mij eens gezegd, dat hij mensen uit boeken interessanter vond dan mensen die hij sprak. Hij was pessimistisch en waarschijnlijk ondanks zijn grote successen ongelukkig. Even boeiend als gecompliceerd; even bewogen als steenhard.

Chernows portret is fair en doordringend maar hoe Siegmund, die in 1982 op 80-jarige leeftijd overleed, precies in elkaar zat, heeft niemand kunnen ontcijferen. Maar hij was onmiskenbaar een groot man. Desondanks is hij bij zijn ongemene succes in twee zaken niet geslaagd. Het is hem niet gelukt voor zijn firma een prominente plaats in New York en in Duitsland te veroveren. De oude firma bestaat weer in Hamburg maar haar positie daar is onvergelijkbaar met de vooroorlogse. New York heeft hij onder meer proberen te veroveren door een partnership met Kuhn, Loeb, maar die poging strandde door een immens verschil in bedrijfscultuur.

Chernows boek heeft twee defecten. Hij besteedt onvoldoende aandacht aan de vraag wat nu eigenlijk de kern van het bedrijf van de vooroorlogse firma in Hamburg was en waarmee het vele geld werd verdiend. En verder is het boek enkele honderden bladzijden te lang. Men schijnt op het ogenblik in Amerika dit soort boeken niet te verkopen als ze niet tenminste 800 pagina's tellen. Maar toch mogen die 800 bladzijden er zijn, ook voor lezers, die geen enkele belangstelling voor banken hebben. Het is een prachtig en dikwijls dramatisch verhaal.