De toekomst

John Lukacs: Het Einde van de Moderne Tijd; ideologie versus nationalisme 224 blz., Contact 1993, vert. Riet Leijten (The End of the 20th Century 1992), ƒ 39,90

De uitgever afficheert Het Einde van de Moderne Tijd van John Lukacs als Het Antwoord op Fukuyama's Het Einde van de Geschiedenis. Dat lijkt bij nader inzien eerder een verkooptruc dan de oorspronkelijke inspiratie van het werk: geen enkele maal valt de naam Fukuyama in de tekst. Maar waar is dat de twee boeken van de twee import-Amerikanen, die hun beider retrospectieve titels ten spijt, over de toekomst van de wereld gaan, zich enigszins laten vergelijken.

Anders dan de jonge en blijmoedige Fukuyama kan John Lukacs de ravage die het Postmodernisme van na de val van de Muur in Europa aanricht, niet goed zetten. Waar Fukuyama in de consumptieve begeerten en in de neo-Nietzscheaanse verontschuldigingen van de nationalistische gangsters in Oost-Europa nog zachte krachten meent te ontwaren, bespeurt Lukacs alleen maar gruwel en gram.

En men moet toegeven dat de aanblik van Europa, vooral door de onstuitbare massaslachting op de Balkan, de gemiddelde krantelezer eerder opzadelt met de oudemannenwoede van Lukacs dan met het padvinderige optimisme van Fukuyama. Lukacs' ongekunstelde knorrepotterij bezit de charme van de eenvoud in vergelijk met de moeizame hersengymnastiek die Fukuyama moet verrichten om te bewijzen dat de liberale democratie 'is here to stay' ondanks alle schijn tegen.

Als het 'nieuwe barbarisme' de voornaamste bedreiging heet te zijn, zal het niet verwonderen dat Lukacs de barbarij van twee wereldoorlogen de belangrijkste gebeurtenissen, en Hitler de belangrijkste persoonlijkheid van deze eeuw noemt. De problemen waar Europa mee worstelt zijn dan ook niet van vandaag of gisteren, maar wortelen in de menselijke aard. Niet de ideologieën, maar een gevaarlijke kracht die Fukuyama in navolging van Hegel als 'thymos', bezieling, betitelt waart door Europa en veegt de vloer aan met het Meissnerporselein en de Biedermeier meubelen waarin het zo goed toeven was. Hier openbaart zich een niet geringe beperking van Lukacs' Proustiaanse benadering van de geschiedenis: de adelaarsblik van Fukuyama mag dan bij wijlen flink kippig zijn, de fijne neus van Lukacs is wel bijzonder exquis. Hij lust geen links of rechts, of liberaal, is wars van nationalisme en federalisme, heeft het niet op Russen en Duitsers voorzien, verdenkt de Amerikaanse buitenlandse politiek van onredelijk anticommunisme en de Franse van onwerkelijk rationalisme... Waar kom je dan terecht met deze oude Hongaar? Ik vrees in een hoge salon ergens in het Habsburgse keizerrijk waar men een beschaafd antisemitisme koestert, en zich laaft aan monarchie en adeldom, afgeblust met wat democratie en een scheutje christendom.

De boude beweringen over landen, volkeren en oorlogen van Lukacs zijn een enkele keer amusant, nogal eens in tegenspraak met elkaar, en vaak lachwekkend: 'Patriottisme is altijd meer (en gaat dieper) dan louter biologisch - omdat menslievende liefde menselijk is en niet louter 'natuurlijk' van aard.'' Dit soort proza komt niet alleen op conto van een slordige vertaalster, maar ontspruit allereerst aan de heimwee van een reactionair. Het lijkt me een ongelukkige uitgeversmanoeuvre om Lukacs tegenover de scherpzinnige Fukuyama te stellen, maar hijzelf had zich kunnen spiegelen aan zijn landgenoot György Konrád, die net als hij bevreesd is voor het opkomende barbarendom, en net als hij verzot is op het goede leven, maar niet als Lukacs verslingerd aan een oud recept waar niemand meer trek in heeft.