De martelaren van Gorcum; De heiligen van het katholieke vaderland

Voor katholiek Nederland zijn de martelaren van Gorcum een onvervreemdbaar deel van de vaderlandse herinnering. Slachtoffers van de wraak der Geuzen, 'de Heil'ge negentien. De grootsten, die der Vad'ren grond, Ons Neêrland, heeft gezien'. Zalig en heilig verklaard, maar door de rest van Nederland volkomen vergeten.

Glorierijke martelaren van ons vaderland, bidt voor ons

Martelaren van Gorcum bidt voor ons en de onkatholieken van Nederland

Heilige martelaren van Gorcum, bidt voor de bekering van ons vaderland

Zaterdag, 10 juli 1993, 's ochtends om half elf. Even buiten Den Briel wacht een bomvolle kerk op de komst van de bisschop, die met negen concelebranten de pontificale hoogmis zal opdragen. Zoals elk jaar wordt de sterfdag herdacht van de negentien rooms-katholieke geestelijken, die op deze plaats, nu 321 jaar geleden, onder gruwelijke omstandigheden hun leven hebben gelaten.

Waarom zijn die gebeurtenissen in Den Briel een 'lieu de mémoire' voor de katholieke, en een non-event voor alle andere Nederlanders? Wie waren die martelaren uit de beginjaren van de vrijheidsstrijd tegen Spanje?

De terechtstelling van de negentien priesters en geestelijken op 9 juli 1572 en de folteringen en vernederingen in de tien voorafgaande dagen zouden wij nu zien als een oorlogsmisdaad in een land in burgeroorlog van een aard en een omvang, zoals die dagelijks op het televisiescherm verschijnt. We kennen de lotgevallen van deze groep mensen tot in de kleinste details, van dag tot dag, van uur tot uur.

Op 1 april 1572 hadden de watergeuzen onder de leiding van Willem van Lumey en graaf Van der Marck, Den Briel bij verrassing ingenomen: op 1 april verloor Alva zijn bril. Dat luidde het begin in van de Opstand in de Noordelijke Nederlanden.

Verschillende Hollandse steden kozen de zijde van de Prins. Ook Dordrecht. Van daaruit trokken de watergeuzen eind juni naar het strategisch gelegen Gorcum. Een Spaansgezind garnizoen had zich met een groep streng katholieke burgers en geestelijken, onder wie de beide pastoors en paters uit het Minderbroederklooster, verschanst in de Blauwe Toren, een middeleeuwse burcht aan de Merwede. Maar de commandant moest zich op 27 juni aan de geuzen overgeven. Die hielden zich wel aan hun belofte van vrije aftocht voor de burgers, maar de geestelijken bleven gevangen. Toen begonnen de intimidaties, de vernederingen en de folteringen, die zouden eindigen bij hun gruwelijke dood. De geuzen lieten de pastoor van Gorcum, Leonard van Veghel, vrij om twee ter dood veroordeelden bij te staan maar hij deed de zaak van zijn lotgenoten geen goed door in zijn parochiekerk de burgers in een spraakmakende preek op te roepen trouw te blijven aan het oude katholieke geloof. Toch kreeg hij toestemming de stad te verlaten om zijn moeder op haar sterfbed in Den Bosch te bezoeken. Maar toen hij zich wilde inschepen om via de rivier te ontkomen, kregen de geusgezinden hem nog juist te pakken.

De haat tegen de gevangen papen werd door dit voorval slechts aangewakkerd. Lumey gaf bevel hen naar Den Briel te brengen: het lot van de groep lag in zijn handen. Een brief van Willem van Oranje, waarin hij de stadsbesturen order gaf geestelijken met rust te laten, had door een vormfout een averechts effect op de geuzenleider: Lumey kreeg niet de authentieke brief overhandigd, maar slechts een afschrift. Zijn eer als edelman was geraakt, het lot van de geestelijken bezegeld. Zij werden buiten Den Briel gevoerd, naar het klooster van de Regulieren van Rugge, dat kort tevoren door de geuzen vrijwel geheel was verwoest. De turfschuur stond nog overeind. Daar werden de negentien, die weigerden het katholieke geloof af te zweren, in de vroege morgen van de negende juli 1572 aan de dakbalken opgehangen.

De folteringen en vernederingen, die de geestelijken in de tussenliggende dagen moesten ondergaan, gingen gepaard met symbolische rituelen die van alle tijden lijken te zijn. In de bronnen worden ze uitvoerig beschreven. De monniken werden gedwongen hun eigen kerkelijke gebruiken te ridiculiseren. Zij moesten aaneengebonden het 'Te Deum laudamus' zingen en, aangekomen in Den Briel, tot twee maal toe een processie parodiëren, eenmaal door achterwaarts rond een symbolisch opgerichte galg te lopen. 'Surgite, domini', 'staat op heren', riep Lumey de voor hem geknielde paters in kerklatijn toe. Na de terechtstelling werden de geestelijken van hun ordekleding ontdaan, de pijen werden in Dordrecht tegen goed geld als spotrelieken van de hand gedaan. Zoals bij misdadigers werd het vet uit de lijken gesneden en als geneeskrachtige zalf verkocht. De lijken werden verminkt. P.C. Hooft schrijft: 'het leuterde noch de soldaaten zoo wreedt een dartelheit, dat zij, d'een de neuz, d'ander de ooren, d'ander de manlijkheit van deezen of dien munnik den beul afvorderde, en als treflyck den Geus speelende en fraaij beveedert, met die leeden op den hoedt, in de stadt (Den Briel, red.) keerden.'' Pas in de middag van die dag werden de lichamen door toedoen van een katholiek uit Gorcum, in een kuil geworpen en begraven. Een klassieke oorlogsmisdaad tot en met de legitimatie achteraf door Lumey, dat tegen de geestelijken 'den anderen ten exempele (...) geen ander rechtsvoorderinge gebruyckt is dan crijchsrecht.''

Hoe is het te verklaren, dat van de vele oorlogsmisdaden, die in deze jaren aan beide zijden in de opstandige gewesten werden gepleegd, de geschiedenis van deze ene zo tot in detail is overgeleverd? Waarom is er zoveel aandacht voor deze negentien geestelijken terwijl er in 1572 alleen al bijna honderd gewelddadig om het leven kwamen? Toevallige omstandigheden spelen hier een rol.

Eén der martelaren, de gardiaan van het Gorcumse Minderbroederklooster, Nicolaas Pieck, was een zwager van een vooraanstaande katholieke schepen van Gorcum, Hessel van Est. Diens zoon Rutger was met zijn oom in de Blauwe Toren gevlucht, had de eerste bange dagen meegemaakt, maar was met de andere leken vrijgelaten. In de familiekring van Van Est begon de verering van de vermoorde geestelijken als marelaren van de katholieke kerk, vanzelfsprekend met oom Nicolaas als middelpunt. Rutger vluchtte met zijn vader naar het katholieke Utrecht en begon bewijsstukken te verzamelen. Hij hoorde ooggetuigen en bezocht de plaatsen. Met onmiskenbaar devotionele oogmerken droeg hij Jan Thibaut Dircksz, die als Gorcumer de meeste martelaren persoonlijk had gekend, op portretten te schilderen, waarvan de gelijkenis door zeven getuigen op 9 augustus 1574 officieel werd vastgelegd.

Rutger herdacht jaarlijks zijn oom en diens lotgenoten in de beslotenheid van zijn huis, 'privata devotione', te midden van de met bloemen versierde portretten en zong daarbij 'met zoete stem', 'suaviter cantillans', een door hem zelf gemaakt lied. De tekst van dit strijdlied op de martelaren is bewaard gebleven: 33 coupletten op de wijs van het Wilhelmus en ook wat de tekst betreft daarop geïnspireerd. De drukker Willem Jansz gaf het in het nog Spaansgezinde Amsterdam in 1575 uit.

Zong Rutger zijn lied in huiselijke kring, in katholieke delen van de Nederlanden, in de Zuidelijke gewesten, klonk het wijd en zijd. Daarvan is een fraaie getuigenis bewaard. Een Antwerpse dame, omwille van het geloof in 1576 naar Luik gevlucht, werd met haar zoontje Fransje uitgenodigd op een diner bij de latere bisschop Torrentius. Daar zaten ook Van der Marcken aan, katholieke familieleden van de uit Luik afkomstige geuzenleider Lumey. Na het dessert mocht de kleine Fransje Vandencruyce, drie jaar oud, laten horen hoe mooi hij kon zingen. Hij kende het lange lied op de Gorcumse martelaren helemaal uit zijn hoofd en begon moedig met couplet één. Maar bij couplet negen luidde de tekst: 'Alsdan sijn sij gekomen/al op Den Briel opt Hooft/Daer hebben sij gevonden/Lumey den tyran groot.''

Dat nu was tegen de familie-eer. Ieder trachtte het jongetje te laten zwijgen, maar hij, altijd zo gehoorzaam, wist nu uit pure devotie van geen ophouden. Enkele jaren later, in 1583, sterft de begaafde Fransje in een geur van heiligheid, nog op zijn sterfbed opgenomen in de orde der jezuïeten. De verering van de martelaren was opgenomen in de sfeer van de contrareformatie.

Die ontwikkeling zette zich voort. Rutger van Est had alle gegevens over de martelaren verzameld ten behoeve van zijn broer Willem (1542-1613), een begaafd theoloog. Die stuurde een kort verslag van het gebeurde naar een vriend in Keulen (waar het al in 1572 in druk verscheen). In 1603, tijdens zijn hoogleraarschap in het Noordfranse Douai, publiceerde Willem van Est een zeer uitvoerig geschrift 'Historiae martyrum Gorcomiensjum'. Het grote werk ademt volkomen de geest van de contrareformatie.

Van Est paart nauwgezette documentatie en zorgvuldige geschiedschrijving aan polemische hagiografie ten behoeve van de beoogde zalig- en later heiligverklaring van oom Nicolaas en gezellen. Miraculeuze verschijnselen preludeerden daarop en zetten het verhaal van het martyrium als het ware voort: genezingen, voorspellende droomgezichten, maar ook in dit licht geduide historische gebeurtenissen. De stad Haarlem viel dankzij een overwinning op de geuzen op 9 juli 1573 enkele dagen later in Spaanse handen! Balthasar Gerards bad bloothoofds en geknield in de kerk van Delft op 9 juli 1584 om Gods zegen af te smeken bij zijn voornemen de dag daarop een einde te maken aan het leven van de tyran Willem van Oranje, de vijand van het vaderland en de religie. De voorspraak van de martelaren was onmiskenbaar! Rutger van Est tenslotte, de initiator van de devotie, stierf in Leuven op 9 juli 1592, de twintigste gedenkdag en werd daarmee als het ware de twintigste martelaar. De geschiedenis van de martelaren van Gorcum maakte deel uit van de contrareformatorische propaganda tegen de Republiek.

Tenslotte verhuisden ook de meeste relieken naar de Zuidelijke Nederlanden. Dat gebeurde tijdens en na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), de grenzen gingen tijdelijk open en de toegang tot getuigen en plaatsen verliep gemakkelijker. Pas toen kon een serieus begin worden gemaakt met het in werking stellen van de kerkrechtelijke machinerie, die tot zalig- en vervolgens tot heiligverkaring kon leiden.

Vanaf juli 1615 ondernamen verschillende vrome initiatiefnemers opgravingen in Den Briel, soms heimelijk en tegen betaling, om relieken te vergaren. Zij ondervonden daarbij steun van een oude katholieke vrouw, die met haar zoon al ruim veertig jaar vlak bij de plek des onheils woonde, in het later zo genoemde 'domus duorum testium', nu café De Twee Getuigen.

De kerkelijke overheid zond in 1619 twee Haarlemse kanunniken naar Den Briel om er zeker van te zijn dat geen vermenging met gebeente van een nabije begraafplaats had plaats gehad. Zij hoorden de beide getuigen en vervaardigden een tweetal kaarten van de topografische situatie ter plekke: daarmee was de plaats van het martyrium voor eens en altijd vastgelegd. Die kaarten werden in prent gebracht en met de andere processtukken in 1620 naar Rome verzonden. Intussen had de aartsbisschop van Mechelen al in 1616 een echtheidsverklaring afgegeven van de relieken, die geschonken waren aan de biechtvader van de landvoogdes Isabella. Twee jaar later, op 18 oktober 1618, werd de openbare verering van deze relieken met een grootse processie in Brussel ingeluid.

Het horen van tientallen getuigen in Gorcum, Utrecht, Haarlem, Amsterdam, Delft en Leiden ging de komende decennia nog door. 'Ick heet Mariken Willems'', zo verklaart een 83-jarige Utrechtse voor de kerkelijke rechters in 1628. Kende zij 'de Dienaers Godts, genoempt de 19 Martelaers van Gorcum''? 'De sommige. Ick heb het leste semon van den heiligen heere pastoor Lenaert gehoort, dat hy dede doen de Geusen in Gorcum waeren, dat hy met veel en treffelycke redenen de borgers vermaenden aan het audt geloove te blyven.'' Ook in de Zuidelijke Nederlanden werden getuigen gehoord, want daar gebeurden de wonderen in het kielzog van de wijd en zijd verspreide relieken. Van de 32 mirakelen, die tot het jaar van de zaligverklaring te Rome in 1675 officieel waren geregistreerd, waren er slechts zeven in de Noordelijke Nederlanden. Verering en devotie hadden zich geheel naar het Zuiden verplaatst. Bewijsstukken en herinneringen bevonden zich daar. Rutger van Est had de portretten van Thibaut Dircksz naar Leuven meegenomen. Deze waren al door Jacob Matham in Haarlem in 1615 in prent gebracht, in 1623 verscheen in Den Bosch een handzaam boekje met varianten op deze portretjes. Daarmee was de iconografie van de martelaren vastgelegd en verspreid.

Na de zaligverklaring kreeg David Teniers de Jonge van het Minderbroederklooster van Mechelen opdracht portretten te schilderen van alle negentien martelaren; zijn neef Gualterus Gysaerts, de lekebroeder-schilder in dat klooster, schilderde de bloemenguirlandes: zij lijken verbeeldingen van de devotie, die honderd jaar eerder door Rutger van Est in Utrecht was begonnen. Weer honderd jaar later, in 1772, werd het tweede eeuwfeest van het martyrium in Leuven plechtig herdacht met een volle pauselijke jubileumaflaat voor 37.000 gelovigen. Alle bewijsstukken tenslotte, meer dan honderd dicht bedrukte folio's, werden door de Westvlaamse jezuïetenpater J.B. Sollier bijeengebracht en in 1721 op magistrale wijze gepubliceerd in de Acta Sanctorum, die in Antwerpen en Brussel het licht zagen.

Intussen lag de eigenlijke lieu de mémoire, het martelveld even buiten Den Briel, er vergeten en verlaten bij. Geen Nederlandse katholiek zou er aan denken die plek op 9 juli te bezoeken, want de relieken - dacht men - waren alle weggevoerd. Zelfs de preciese ligging van de martelplaats was in de vergetelheid geraakt. In 1830 kocht wijbisschop mgr. Van Wijckerslooth privé met vrome intenties een weiland buiten Den Briel, maar een historisch onderlegde pastoor moest vaststellen, dat op diens eigendom nooit iets met betrekking tot de martelaren had plaats gehad.

Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853, beginpunt van de emancipatie van de katholieken in Nederland, riep de behoefte op aan nationale heiligen, zoals ook andere landen die konden vereren. De martelaren van Gorcum waren bij uitstek geroepen die rol te vervullen, want behalve Willibrordus, de brenger van het christendom in onze streken, Servatius, de eerste bisschop van Maastricht en de in Dokkum vermoorde Bonifatius waren er weinig aansprekende figuren onder de enkele tientallen heiligen, die binnen de landsgrenzen actief waren geweest. Twee hoogleraren aan het seminarie te Warmond hebben zich onder auspiciën van de bisschop van Haarlem zeer ingespannen de Gorcumse devotie nieuw leven in te blazen. De kerkhistoricus mgr. J.W.L. Smit (1826-1887) deed voortreffelijk historisch onderzoek en wist, onder andere aan de hand van de kaarten uit 1619, de plaats van het martyrium exact aan te geven. Na spannende onderhandelingen door een stroman en - volgens familietraditie - door monseigneur vermomd als Noordhollandse boer, slaagde het bisdom erin om eind 1865 het geheiligde stuk grond uit handen van de doortrapte calvinisten weg te kopen. Latere opgravingen in de jaren zeventig brachten nog een schat aan relieken te voorschijn.

Tegen de achtergrond speelde de voorgenomen heiligverklaring van de martelaren in 1867. De verhouding van het katholieke Nederland tot de paus was een zeer bijzondere: de Nederlandse kerkprovincie stelde zich in gehoorzaamheid achter de pauselijke belangen; één derde van het vrijwilligerscorps der Zoeaven, dat de paus in zijn strijd tegen Garibaldi te hulp snelde was van Nederlandse herkomst. De paus heeft dit willen belonen door voor de heiligverklaring van de martelaren de mooist denkbare dag te kiezen: 29 juni 1867, het 18de eeuwfeest van het martyrium van de apostelen Petrus en Paulus. De beste Romeinse historieschilder, Cesare Fracassini (1838-1868), kreeg opdracht het officiële schilderij van de gruwelijke gebeurtenis in de Turfschuur te maken: het zou zijn meesterwerk worden.

Vanaf dat moment nam de pelgrimage naar Den Briel grote vormen aan: tot 1867 kwamen er hooguit enkele tientallen, in 1867 zaten ruim 600 pelgrims onder uitgespannen scheepszeilen achter de kerk en acht jaar later waren er 10.000 gelovigen.

Een andere Warmondse hoogleraar, de bijbelexegeet en dichter mgr. P. van der Ploeg (1815-1881), verzorgde de devotionele ondersteuning: zijn 'Godvruchtige oefeningen ter eere van de H.H. XIX Martelaren van Gorcum' (verschenen in 1868 en talloze malen herdrukt) bevatten novenen, litanieën, lofzangen, hymnen en jubelliederen ter ere van de heiligen. Niet alleen uit Holland, ook uit Brabant, land van herkomst van zovelen van de martelaren, kwamen de pelgrims toegestroomd: uit Den Bosch, uit Weert, uit Heeze.

Voor Van der Ploeg zijn de martelaren 'de Heiligen van ons Vaderland'. De pelgrims uit Heeze, 'waar hemelsch bevoorrecht, het wiegje had gestaan'' van St. Nicasius ('ons Kaas'), zongen de martelaren toe: 'O vaderlandsche helden, O Broeders met roem gekroond''. En de pelgrims uit Den Bosch, in alle vroegte per salonboot vertrokken, bij het naderen van Den Briel: 'Zij wachten ons op dezen stond! de Heil'ge negentien. De grootsten, die der Vad'ren grond, Ons Neêrland, heeft gezien'' (bis), en wel op de wijze van het volkslied 'Wien Neêrlands bloed'.

Dit thema keert steeds weer terug en doortrekt tot in de jaren vijftig van deze eeuw de gehele devotie: het streven om de Gorcumse martelaren tot Nederlandse nationale helden te maken. En dit is nu juist mislukt: de martelaren bleven heiligen en helden van de eigen zuil. Geen enkel rooms-katholiek geschiedenisschoolboek laat ze ongenoemd, maar in vrijwel alle overige ontbreken ze.

Het is licht te begrijpen, dat in de jaren na de heiligverklaring, die bovendien samenvielen met een reeks nationale gedenkdagen, zoals van de slag bij Heiligerlee (1568) en de inname van Den Briel (1572), er een heftige polemiek ontbrandde om de plaats van de martelaren in de geschiedenis van het land (met de Leidse historicus Robert Fruin als superieure arbiter). De protestanten verweten de katholieken geen goede vaderlanders te zijn zolang zij de verworvenheden van de Opstand tegen Spanje niet volmondig beaamden. Bovendien: wat de watergeuzen de Gorcumse martelaren hadden aangedaan, moge verwerpelijk zijn, de wandaden van de Spanjaarden in Naarden en Haarlem waren veel erger! Maar al spoedig verdween de aandacht voor de martelaren van Gorcum: zij werden eenvoudig doodgezwegen.

De katholieken daarentegen bleven pogen de Gorcumse martelaren tot nationale helden te verheffen, zij het in gepolariseerde zin. In 1889 werd de 'Broederschap ter vereering van de H.H. Martelaren van Gorkum tot bekeering van ons vaderland' opgericht. Bij het gouden eeuwfeest van de canonisatie in 1917 werden fondsen geworven voor een 'nationaal monument' op de martelplaats, want 'heiligen zijn onze leiders, door Rome op het altaar verheven van Holland, om Holland op den troon van Rome, Petrus'rots, terug te voeren. Heilige martelaren van Gorkum, bidt voor de bekeering van ons vaderland''. Het heeft tot de jaren zestig geduurd voordat oecumene en ontzuiling aan deze tegenstelling een eind hebben gemaakt.

Nu spreekt bisschop Lescrauwaet in zijn homilie over de 16de eeuw als een scharniertijd, een periode van crisis en onzekerheid, evenals ons huidig tijdsgewricht. De martelaren zijn te prijzen om hun trouw aan hun geloof en hun beginselen. Na de eucharistieviering verspreidt het kerkvolk zich. Het zijn er ongeveer evenveel als in 1867: ruim zeshonderd. Het is vol en gezellig in Café De Twee Getuigen: er zijn broodjes en soep, bier en koffie met een vieuxtje. Rond de grote bakstenen pelgrimskerk uit de jaren dertig en binnen de gaanderij om het eigenlijke Martelveld wordt gepicknickt. 's Middags is er processie in de kerk. Achter het processiekruis wordt de houten reliekschrijn gedragen, achter het sacrament lopen de negentien vaandeldragers, die op een teken, hun vaandels in één beweging opheffen: de namen der martelaren verschijnen. Een tragische gebeurtenis uit een cruciale periode van de geschiedenis van dit land wordt op de plaats zelve treffend herdacht.