Chirurgen binden elkaar aan keurmerk

ROTTERDAM, 18 DEC. Vier, vijf jaar duurt het nog. Maar dan kan een patiënt gemakkelijk achterhalen in welk ziekenhuis hij zich wel of maar liever niet kan laten opereren. De ene chirurgische afdeling is dan wel geaccrediteerd, de ander komt niet in aanmerking voor een 'keurmerk'. Deze accreditatie geeft een onafhankelijke organisatie van chirurgen, maar bijvoorbeeld ook met verzekeraars, patiënten, overheid en ziekenhuizen.

Voorzitter prof. dr. G. Kootstra van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) schetst dit perspectief als toelichting op de kwaliteitsnota 'Van goed naar beter'. De nota is gisteren aangeboden aan de artsenorganisatie KNMG.

Er zal op de deur van het ziekenhuis geen bord komen, maar er komt wel een openbaar register waarin de beoordeling van de rond 130 chirurgische afdelingen te vinden zijn. Invoering van de accreditatie is volgens Kootstra en medebestuurder, de Haagse chirurg dr. B.C. de Vries, een logische volgende stap in het kwaliteitsbeleid van de vereniging.

De chirurgen lopen voorop als het gaat om geformaliseerde aanpak van de kwaliteit. Terwijl bij sommige specialismen nog wordt gediscussieerd over bij wijze van proef visiteren - afleggen van bezoeken door collega's om hun kwaliteit van werken collega te controleren - is de NVvH dit jaar al met de tweede ronde begonnen. Tussen 1989 en eind 1992 heeft 98 procent van chirurgische afdelingen zich vrijwillig aan inspectie door collega's onderworpen. In de gisteren gepubliceerde nota wordt daarvan in globale termen verslag gedaan. Bij 'opleiders' is visitatie normaal.

Bij het overgrote deel van de gevisiteerde chirurgenpraktijken is er nog het nodige te verbeteren. Op punten als deskundigheid, registratie, onderlinge samenwerking en raadpleging van andere disciplines, organisatie en doeltreffendheid van de behandeling is maar bij gemiddeld zo'n 35 procent alles in orde bevonden. Dat is volgens Kootstra en De Vries een eerste keer niet erg als er met de beoordeling en aanbevelingen ook maar iets wordt gedaan. De eerste ervaringen in de tweede ronde stemt tot tevredenheid. Bij de vijftien praktijken die al voor de tweede keer zijn gevisiteerd blijkt sprake van een aanzienlijke verbetering.

Eén van de bevindingen was dat maar bij tien procent registratie en bespreking van optredende complicaties naar behoren is geregeld. “Daar is het nodige over gezegd, omdat de mate waarin complicaties voorkomen een indicatie kan zijn voor de kwaliteit van het handelen”, zegt De Vries. “De Vereniging wil complicaties nu ook landelijk gaan registreren. Er zal nog veel discussie nodig zijn, want je moet heel nauwkeurig definiëren wat je registreert - en lang niet alle complicaties zijn te vermijden. Maar je kunt er straks wel de klinieken uithalen waar veel meer infecties optreden of waar er meer gezonde blinde darmen worden uitgehaald dan gemiddeld. Met die gegevens in de hand kun je toch vrij dwingend met berokkenen praten.”

“De ervaringen in de eerste ronde met de niet-opleidingspraktijken hebben duidelijk gemaakt dat we komende jaren nog veel aandacht moeten besteden aan het ontwikkelen en vastleggen van de normen, waaraan wij chirurgen vinden dat een praktijk moet voldoen”, aldus De Vries.

“Het is niet de bedoeling van de visitaties om met de vinger beschuldigend naar deze en gene te wijzen”, voegt Kootstra toe. “Het gaat er ons allereerst om de chirurgen een spiegel voor te houden. Ze moeten het op prijs stellen dat af en toe collega's van buiten hun handelen bekijken, iets wat hen nieuwe gezichtspunten kan opleveren. Net zoals ze inderdaad de resultaten van de visitatie kunnen gebruiken om een oud verzoek om meer facilteiten bij de directie kracht bij te zetten of om, wat ook nog wel eens voorkomt, niet-functionerende maten te kunnen aanpakken”.

Ook wil de NVvH krachtig het werken volgens een 'protocol' (een richtlijn hoe te handelen bij deze aandoening of die ingreep) stimuleren. “Zo'n protocol hoeft een chirurg niet te volgen, het is geen keurslijf, maar hij moet dan wel kunnen motiveren waarom hij er van afwijkt”, zegt Kootstra. “Het protocol geeft de specialist ook een wapen in handen. Tegen een aandringende patiënt kan hij met het protocol in de hand zeggen dat iets niet hoeft omdat we landelijk vinden dat het niet werkt”.

De Vries voorziet op de langere termijn een bedreiging van de kwaliteit van de geboden zorg. Dat zou het gevolg zijn van de vrijheid van de verzekeraars bij het contracteren van zorgaanbieders. “Ze hebben het voortdurend over doelmatigheid, en dan bedoelen ze goedkoop. Ik ben bang dat die ontwikkeling straks ten koste gaat van de kwaliteit. Maar als we er in slagen ook de verzekeraars bij de kwaliteitsbewaking te betrekken kunnen we dat gevaar bezweren. Want de verzekeraars kunnen dan voor hunverzekerden eigenlijk geen contract afsluiten met niet-geaccrediteerde specialisten enkel omdat die bereid zijn voor een lagere prijs te werken”.