Chief-scout

Hans Sonneveld was een van de vele gentlemen-voetballers die in de jaren veertig en vijftig nog op de Nederlandse voetbalvelden te zien waren.

Hij was jarenlang captain (een rang hoger dan aanvoerder) van Sparta, de Brits-georiënteerde, meer dan 100 jaar oude Rotterdamse 'artsen- en notarissenclub', die bijna twintig jaar profiteerde van zijn kalme onverzettelijkheid en zijn orthodoxe techniek en hem een generatie lang onafgebroken het middenveld toevertrouwde. Sonneveld behoorde tot de niet eens zo zeldzame categorie van de onberispelijke, altijd correcte spelers die zich nooit te buiten gingen aan foul play, nooit tierend en ellebogend over het veld trokken en nooit de tegenstanders een haar zouden krenken. Het waren de hoogtijdagen van de gemoedelijke massasport toen een nederlaag nog geen rampokken veroorzaakte en de aanhangers van de tegenpartij nog in de plooi van het geloof der vaderen zaten en met hun vingers van de eigendommen van de thuisclub afbleven.

Sonneveld heeft zijn leven lang nooit bonje met de wedstrijdleiding gehad noch op de grasmat gespuugd of grove taal gebruikt. Toen hij ermee ophield vermeldde zijn conduite staat geen enkele aantekening over een ernstige overtreding of wangedrag. Hij was op-en-top een sportman, die in 1955 met een kraakhelder gesteven blazoen zijn carrière in de hoogste klasse van het Nederlandse voetbal afsloot om vervolgens zijn club nog vele jaren te dienen als chief-scout- betaald voetbal met een serendipitair oog voor het ontdekken van onvermoede talenten. Bij zijn afscheid als eerste elftalspeler van Sparta bracht de voetbalwereld hem een verdiende hulde voor zijn langdurige en onvermoeibare propaganda voor sportiviteit in competitie op het hoogste niveau.

Na zijn actieve jaren op het veld en een behoorlijke carrière bij Philips in Eindhoven legde Sonneveld zich toe op de historiografie van het voetbal. Hij schreef in twee afzonderlijke boekdelen een zeer leesbare geschiedenis van Sparta en van het Rotterdamse voetbal, waarin hij zich deed kennen als een goed verteller en als een pedagoog met een aanstekelijke geestdrift. Vorig jaar publiceerde hij een boekje over de beginselen van het scouten, het opsporen van knaapjes die in de kinderschoenen al de belofte van latere grootheid verraden. Scouting is de armeluisvariant van de miljoenenaankoop in het betaalde voetbal: monnikenwerk in dienst van de clubs zonder banksaldo, die met een appel en een ei doen wat de rijke clubs met hun chequeboek doen. In zijn Voorwoord in Sonnevelds De jacht op talent (uitgeverij La Rivière & Voorhoeve) omschrijft Herman Kuiphof het scouten als glamourloos werk waarmee de scouters door de bank genomen weinig eer inleggen en vaak longontstekingen oplopen: 'Soms stonden twee scouts onder één parapluie tijdens beestenweer te turen naar een spelertje, dat heel misschien wel eens iets zou kunnen worden. Zij trokken diep de provincie in, maar reisden ook naar derde- en vierde divisieclubs in Engeland, want daar was nog iets te halen dat betaalbaar was.'' (Kuiphof schreef zijn voorwoord blijkbaar al enige tijd geleden, want de vierde divisie in Engeland is intussen afgeschaft en opgewaardeerd tot derde).

Sonnevelds Jacht op talent bevat een hoofdstuk over scoutinggeschiedenis met een opstelletje van de eerste elftalspeler Michel Valke, waarin deze verloren zoon (die in Sparta begon, door PSV werd gekocht, in Frankrijk furore maakte en ten slotte terugkeerde naar het Kasteel waar hij nog wekelijks zijn grote kunsten vertoont) een aandoenlijke getuigenis van zijn clubliefde aflegt. Clubliefde in het hedendaagse betaalde voetbal, wis en waarachtig. Michel Valke logenstraft de gedachte dat het voetballers in de hoogste afdeling van het betaald voetbal alleen maar om het geld te doen zou zijn en dat de clubkleuren er niet toe zouden doen. Valke, die voor zijn vertrek naar PSV werd uitgeluid door de Sparta-supporters met de groeten 'Veel succes bij PSV' (op spandoek), had het Sparta-shirt dus ook enige keren voor dat van andere clubs verruild, maar op het Kasteel voelde hij zich pas weer mens. Tijdens de jaren van uithuizigheid had hij 'de typische Sparta-sfeer'' gemist en 'de zwetende geur van het ballenhok, de thee en het litertje melk na de training''. En vooral het trainingsveld zonder gras. Michel Valke is voetballer van beroep, maar even goed Spartaan voor het leven. Hij zou een groter publiek verdienen dan de armzalige drieduizend toeschouwers die de thuiswedstrijden van Sparta bezoeken en tegenwoordig nog maar een fractie vormen van het legioen dat in de tijd van Sonneveld het Kasteel bezocht.

Hans Sonneveld ken ik niet alleen in zijn hoedanigheid van de sportiefste aller voetballers maar ook als een zachtmoedig mens met een poëtische ziel. Hij schreef me eens een brief waarin hij een hogere wijsheid formuleerde die alleen de ware kenners begrijpen, namelijk dat sportbeoefening meer is dan sport alleen. In zijn brief had hij een fotokopie ingesloten van een uit 1944 daterende briefkaart van een clubgenoot met wie hij cricket had gespeeld en die hem uit het concentratiekamp waar hij verbleef had gevraagd naar de verrichtingen en de stand van het cricketkelftal van Sparta. Met die clubgenoot, die het concentratiekamp had overleefd, zat hij na de oorlog week in week uit weer op de tribune, nu eens kijkend naar Sparta-cricket dan weer naar Sparta-voetbal. Maar hoezeer ze door Sparta aan elkaar en aan het leven verknocht waren, ze hadden na de oorlog nooit meer met elkaar over die briefkaart gesproken. Want over sommige dingen hoeft nooit meer gesproken te worden. There is more to playing cricket than meets the eye.