Wij zijn een keurige, tolerante, gastvrije, prima natie; Nederlandse schrijvers reizen door Frankrijk

“De Minister van Cultuur wil ons ontvangen en wat de Minister wil dat moet.” Tijdens de literaire manifestatie Les Belles Etrangères traden Nederlandse schrijvers in Frankrijk op. De dichter Rutger Kopland hield een dagboek bij, waaruit hier fragmenten worden gepubliceerd.

Maandag 29-11-93

Wel een beetje zenuwachtig. Alles kan immers misgaan. Een kleinigheidje is genoeg, de taxi loopt vast in de morgenspits, op het perron roept een lieve vrouwenstem iets over mijn trein, die vandaag van een onverstaanbaar ander perron vertrekt, een man met een pet geeft een onbetrouwbaar advies, zat ik maar in die trein. In de verte komen ze, de lotgenoten van Les Belles Etrangères. Wij gaan over tot het gebruikelijke tijdverdrijf: anekdotes over andere schrijvers.

Op naar de Sorbonne, om voorgesteld te worden aan het Franse Volk. Men achtte het wellicht verstandig dit te doen tijdens etenstijd, om een te grote toeloop te vermijden. Driftige mannen die aan een microfoontje prutsen, haastig keukenstoelen aanslepen voor de kunstenaars op het podium, cameralampen, heren met papieren en overal gedelibereer om mij heen, alsof men een halfuur geleden gehoord heeft dat wij kwamen. En toch, hoe het allemaal gegaan is, god mag het weten, verstomt het gepiep van het microfoontje, het gestommel, gedraaf, gedelibereer, en zit ik op een keukenstoel op het podium tegenover het Franse Volk. Anderhalf uur zit ik daar, denkend aan een maaltijd, een sandwich, een pilsje, een glaasje water, een half glaasje desnoods. Goddank zit ik in de eerste ploeg ondervraagden en moet ik het podium af voor de tweede ploeg.

Het loopt tegen half twaalf en het Franse Volk is uitgeput en hongerig vertrokken naar de slaapsteden in de omgeving. De volhouders ontmoeten we eindelijk op de receptie met champagne en piepkleine toastjes. We hebben mooi gesproken vinden ze. We waren een verademing vergeleken bij de Franse Literatoren met hun zwaarwichtigheid en hun dampende formules.

Dinsdag 30-11-93

's Avonds naar het Maison de la Poésie, Forum des Halles. We worden begeleid door mijn beschermengel Emmanuel Moses, de Franse schrijver die zich over mij zal ontfermen gedurende mijn verblijf in Parijs. Het blijkt een buitengewoon hartelijke, gastvrije man, en zeker op dit moment heb ik hem nodig. Het Forum is een soort gigantisch groot Hoog Catharijne. Vanuit de métro komt men in een holle, betonnen wereld terecht. Die is niet voor mensen bedoeld. Zij wordt dan ook bevolkt door vreemde, verwilderde scharrelaars met plastic tasjes en groepjes verkeerd lachende 'jeunes'. We betreden een duister zaaltje. Het Franse Volk is kleiner dan ik dacht. Achteraf blijkt dat velen niet durven te komen in deze woestenij op deze tijd van de dag. We lezen dus alleen voor de dappersten. Cees Nooteboom heeft geweigerd zijn werk te laten voorlezen door een 'acteur', hij doet het zelf. Ik heb niet geweigerd, ik ben te aardig vindt Cees. Hij krijgt gelijk. Eerst lees ik zelf, maar daarna komt de acteur. Hij is een man met een kwaadaardig gezicht. Als in het gedicht 'Jonge Sla' staat: “maar jonge sla in september, slap nog, in vochtige bedjes, nee” dan hoor ik in dat 'nee' een groot ironisch medelijden; de acteur echter toont zich verontwaardigd en eindigt met een donderend NON! Als in het gedicht 'Hond' een doodzieke hond wordt toegesproken, enkele minuten voordat hij door de veearts afgemaakt zal worden, dan voel ik een eindeloze weemoed. De acteur echter staat te kankeren: klootzak waarom ben je g.v.d. ziek geworden, zo klinkt het. Nooit, nooit mag enig acteur zijn lusten meer botvieren op mijn gedichten. Woensdag 1-12-93

's Avonds naar het Centre Pompidou, optreden. Alweer zo'n wond in Parijs. De immense hal, diezelfde grauwe sfeer van het Forum des Halles, dezelfde stakkers, verwilderd, verslaafd, ziek, strompelend, staand, hangend, liggend. Een goed georganiseerde, goed voorbereide avond, honderden mensen. Nicolaas Lens houdt gesprekjes, we lezen voor, applaus.

Donderdag 2-12-93

Naar Gallimard voor een gesprek met Jean Grosjean, dichter, criticus en adviseur van Gallimard. Hij heeft zich over de nieuwe bundel gebogen. Uitbundige lof voor Paul Gellings, de vertaler. Zijn oordeel over mijn poëzie, ach, laat ik er op deze plaats niet te veel over zeggen. Ik werd er een beetje stil van, zeg maar, het deed me wel wat.

's Avonds naar de receptie van de Ambassadeur. Champagne en petit-fours. Aardige mensen die vijf minuten heel hevig in je geïnteresseerd zijn en dan over je schouder kijken om te zien aan wie ze je kunnen doorschuiven. Ook ècht aardige mensen zijn er trouwens. En tenslotte Marc Chavannes natuurlijk. Men is 'in de groep' niet zo gelukkig met zijn stukje over de openingsavond: “Fransen lopen weg bij avond met Nederlandse auteurs.” De nijvere ambachtsman had zitten tellen hoeveel mensen er wegliepen bij welke auteur en hoe laat zij dat deden, nog wat snieren bedacht en daar een soort ironisch stukje van gemaakt. Ik vraag hem waarom hij zo zeikerig moest zijn. Hogelijk verbaasd natuurlijk dat de schrijvers het niet zo leuk hadden gevonden. Wij waren van die gevoelige kunstenaarstypes. Hij had alleen de feiten weergegeven.

Vrijdag 3/12/93

Charlotte Mutsaers en ik zouden naar het Centre de traduction poétique van de Fondation Royaumont, maar de Minister van Cultuur gooit roet in het eten. Hij wil ons ontvangen en wat de Minister wil dat moet. Zo staan we om twaalf uur alweer met de onvermijdelijke champagne en petit-fours in conversatie bijeen onder kroonluchters, omgeven door reusachtige spiegels en deftige mensen. De minister spreekt en houdt ons voor dat wij een keurige, liberale, tolerante, gastvrije, democratische, prima natie vertegenwoordigen. Door de ramen zie ik de binnenplaats totaal vernield door een kunstenaar: een plein omgeven door die statigheid die zo precies goed is. Daar moest eens flink de beuk in, in deze vriendelijke scène. Het plein is nu bezaaid met honderden zwart-wit gestreepte zuiltjes in hoogte variërend van 30 tot 80 centimeter. Ja kunst, ik heb het al vaker gezegd, is verschrikkelijk mooi.

Zaterdag 4/12/93

Wij flitsen per TGV het landschap in en komen aan in het treurigste stadje dat ik ooit heb gezien: St. Nazaire. Wij worden vervoerd naar het Maison des Ecrivains aan de haven, in een 11 verdiepingen hoge flat waarvan men zich afvraagt wanneer hij zal instorten.

Na de maaltijd blijkt dat onze gastheren, laat ik hen de Professor en de Directeur noemen, een vaste greep op ons programma willen hebben. Men heeft zich vast voorgenomen ons geen moment in de steek te laten. Uitnodigingen, voorstellen, adviezen hebben hier de status van bevelen. De eerste protesten rispen op in de groep tolerante, liberale, democratische Nederlanders. Op naar het Centre Culturel, waar zich elf van de 150.000 inwoners die deze stad telt hebben verzameld. Met de bekendmaking van onze komst is een klein foutje gemaakt. We lezen voor, beantwoorden vragen, doen vreselijk ons best kortom om dat vriendelijk rijtje gezichten tevreden te stellen met voordracht, uitleg, alles wat we hebben. De elf mensen zijn tevreden, het blijken heel gewone mensen te zijn, die best weten wat goed is. Dan begint het gedonder. We mogen niet naar ons hotel. Charlotte maakt ruzie en ontsnapt. “Après tout je suis une femme, qui veut se poser de temps en temps devant un miroir.” Met deze keiharde uitspraak dwingt zij een taxi af.

Zondag 5/12/93

's Morgens aan het ontbijt, voor een raam met uitzicht op een schitterend kustlandschap in een stralende zon, meldt de Directeur dat thans het busritje door het industrieterrein dient aan te vangen. Wij weigeren, wij gaan wandelen. Dan tenminste de lunch? Nee, wij willen niet eten, wij willen nooit meer eten, in Nederland wordt nooit gegeten, eten is een Franse uitvinding, die wij overbodig vinden. We willen wandelen langs de grote oceaan en dan naar de TGV, dat is alles wat wij willen. De Directeur kijkt ons aan met een mengeling van weemoed, teleurstelling en minachting. Hij verliest, hij verliest iets.

Maandag 6/12/93

's Middags treed ik op in Lille in een collegezaal met voornamelijk studenten. Nederlands is een hoofdvak aan de universiteit hier. Het is eerst vreemd om al die Franse studenten Nederlandse vragen te horen stellen, maar na verloop van tijd gaan de mensen er zelfs steeds Nederlandser uitzien. De studenten van professor Gilbert van der Louw zijn zeer goed voorbereid, het is een plezier om met hen te praten.

's Avonds is er een voordrachtsavond in een prachtig zaaltje in de binnenstad. Acteurs lezen mijn werken voor, 'over het schrijven van een gedicht', 'poëzie en psychiatrie' en gedichten. Zij doen dat zeer goed, zo goed dat ik enkele malen ontroerd raak. Behalve studenten zijn er nu ook 'burgers' en nogal wat psychiaters uit een naburige inrichting met wie een levendige discussie ontstaat.

Dinsdag 7-12-93

's Morgens gedichten vertalen met de studenten. Het probleem van het vertalen van Nederlands in Frans is tweevoudig. In de eerste plaats is het moeilijk de ambiguïteit van een tekst te bewaren. In het Frans moeten er vaak keuzes gemaakt worden, waar ze in het Nederlands niet worden gemaakt. Open laten, dubbele betekenissen aanvaarden, onzekerheden, tegenspraken, zonder uitleg in een betoog dat tweemaal zo lang gaat duren en niet spannend meer is, dat is nogal eens een probleem. Het tweede probleem hangt daarmee samen: de afstand tussen spreektaal en schrijftaal is groot in het Frans. De lichtvoetigheid van de spreektaal wil ik op het papier, niet de deftigheid van de schrijftaal. Met die lichtvoetigheid is meer diepte, meer ambiguïteit te creëren dan met het betoog.

Donderdag 9/12/93

Brussel. Wij, Marcel Möring, Charlotte Mutsaers en ik mogen optreden met W.F. Hermans en wij verheugen ons natuurlijk danig op zo'n buitenkansje. En inderdaad het wordt een heerlijke avond. Voor ongeveer 15 Franstalige en 15 Nederlandstalige Brusselaars wordt het weer eens bevestigd: wat een milde, bescheiden en geestige mensen dat toch zijn, die kunstenaars. Sommigen onzer willen echter nu eindelijk wel eens terug naar Nederland, één zelfs naar Groningen, hoe fijn het in Brussel ook is.

Vrijdag 10-12-93

Met een zucht van verlichting stappen wij in de trein, op weg naar de Pays Bas. Ach, die gesprekken die we dan hebben, ik zal ze u besparen. Ik moet steeds maar denken. Aan onze vertalers zonder hen zouden wij Nederlanders nog steeds die keurige, tolerante, democratische sjablones zijn. Aan al die gastvrije gastheren en gastvrouwen. En tenslotte aan Emmanuel Moses die zich, geleidelijk aanmet zijn hele gezin, over mij ontfermde. Weemoed dus. Ik denk na over een mooie slotzin.