Wereldkerstcircus terug in piste van Carré; Ballet van zebra's en hengsten op klompen

Voorstelling: Wereldkerstcircus 1993. Regie: Fredy Knie jr. Met o.a. Fredy en Mary-José Knie, de Sudarchikovi's, Dolly Jacobs, Peter Shub, Wendell Huber, Tory Cross. Orkest o.l.v. Reto Parolari. Gezien 16/12, Carré in Amsterdam. Herhalingen aldaar t/m 2 jan.

Na vorig jaar wegens de verbouwing van het Koninklijk Theater Carré verbannen te zijn geweest naar een tochtige tent langs de A10, is het Wereldkerstcircus voor zijn negende versie terug waar het hoort: in de warme piste van Carré, tussen de roodovertrokken stoelen die tot in de nok van de zaal gelegenheid bieden om de circusartisten te bekijken - zit je niet dicht bij de tijgers, dan heb je wel perfect zicht op de trapeze.

Als ieder jaar is er voor het Wereldkerstcircus een keuze gedaan uit wat de wereld aan bijzondere circus-acts te bieden heeft. Het spreekt vanzelf dat er de nodige prijswinnaars op de circusfestivals te zien zijn. Maar de selectie is dit jaar uitzonderlijker dan ooit. Nog nooit zag ik bijvoorbeeld een nummer als dat van Anatoli en Ljoebov Sudarchikovi, afkomstig uit het Russische Staatscircus. Aangekondigd als 'danspaar' zijn ze in feite illusionisten die zich met behulp van de ballroom-dans een weg banen door hun trucs. Wat zij doen is een gewiekste variatie op één gegeven: Ljoeba wisselt van japon ('jurk' kan ik haar gewaden niet noemen), en ze doet dat binnen die fractie van een seconde dat wij met onze ogen knipperen. Ze staat tussen een soort zilveren vliegengordijn, we zien het oranje van haar kleding ertussendoor schemeren, ze schudt zich even en stapt tussen de slierten door in een totaal ander complet, groen als ik me goed herinner, met strikken en een sleepje. Climax is een metamorfose die zich voltrekt onder een dwarrelbui van grote zilveren vlokken.

Of neem de olifanten-dressuur van de Zwitser Wendell Huber. Twee olifanten schommelen de piste binnen. Ze gaan op hun tonnetjes zitten, met tussen hen in twee vrolijke St. Bernardshonden en er ontwikkelt zich een komische act die voornamelijk op slurven en staarten is gebaseerd. De dompteur scharrelt rond als Joris Goedbloed, steeds beentje gelicht en van zijn pet ontdaan, maar intussen weet hij wel een van zijn honden via een laddertje op een olifantenrug te laten klimmen om een rondje te rijden.

Elk nummer zou het verdienen hier uitvoerig te worden beschreven: het piepjonge slangenmeisje Sun Jiayin (uit het Groot Chinees Staatscircus) die kleine kleedjes verandert in vliegende tapijtjes terwijl ze even onvoorstelbare als bekoorlijke hoeken en bochten maakt met haar lichaam; de Amerikaanse Dolly Jacobs (van Barnum and Bailey) in haar eentje aan de trapeze in een act die het publiek letterlijk kleine gilletjes deed slaken; de sierlijke tijgers van René Farrell, de jolige acrobatiek van de Rios Brothers, de clownsact van de Amerikaan Peter Shub die ongeschminkt en met weinig meer attributen dan een koffer en een fototoestelletje een geslaagde, deels door Buster Keaton geïnspireerde komische show ten beste geeft.

Maar wie om het circus geeft komt alleen al aan zijn trekken doordat hij drie uitvoerige proeven van paardendressuur te zien krijgt van Fredy en Mary-José Knie: eerst een hogeschoolnummer met stoere Friese hengsten die met hun hoeven een soort klompendans uitvoeren, dan vrijheidsdressuur met onder andere een pony van het formaat van een forse hond en tenslotte een fraai ballet met zes zebra's, drie zwarte en drie witte paarden.