Vrouwenpensioen

Het Nederlandse pensioenstelsel is opgebouwd in een tijd, dat de man werd geacht de kostwinner te zijn en de vrouw huisvrouw.

Het aanvullend pensioen van vrouwen, ook als zij ongehuwd waren en de eigen kost moesten verdienen, werd als minder belangrijk beschouwd. De toetredingsvoorwaarden tot de pensioenregeling waren daarom voor vrouwen slechter dan voor mannen en bovendien werden vrouwen, vooral gehuwde vrouwen, vaak uitgesloten. Onderzoek van de Pensioenkamer wijst uit dat 37 procent van de vrouwelijke en 10 procent van de mannelijke werknemers geen recht op aanvullend pensioen hebben. Vrouwen zijn oververtegenwoordigd in de groep zonder aanvullend pensioen.

Dankzij uitspraken van het Europese Hof zijn pensioengevers verplicht vanaf 17 mei 1990 voor vrouwen en mannen gelijke pensioenrechten op te bouwen. Daarmee zijn de gaten in de pensioenopbouw van vrouwen vóór 17 mei 1990 echter niet gedicht. De Stichting van de Arbeid stelde daarom in 1992 voor dat pensioengevers één jaar inhaal pensioen geven per vijf dienstjaren aan vrouwen die uitgesloten waren, mits die vrouwen kunnen aantonen dat zij op 17 mei 1990 (de dag van de uitspraak van het Europese Hof) in dienst waren en over welke periode zij vóór die datum in dienst waren. Een vrouw van 65 jaar die tenminste 35 jaar gewerkt heeft zou door deze maatregel een pensioen krijgen dat slechts 1/5 bedraagt van dat van een vergelijkbare man.

Dit is een vrij mager voorstel als men bedenkt dat in 1973 een fonds in het leven is geroepen speciaal om werknemers te helpen die geen aanvullend pensioen hadden, het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering. Het vermogen van het Fonds Voorheffing bestaat uit bedragen die vrij kwamen door bevriezing van de Kinderbijslag voor het eerste kind in de jaren 1973-1975. Het eigen vermogen van dit fonds bedroeg eind 1992 ƒ 3800 mln. Met ingang van 1987 wordt een gedeelte van de rentebaten van het FVP gebruikt om de pensioenopbouw van werkloze werknemers die op het moment van ingang van de werkloosheid 40 jaar of ouder zijn te financieren.

De Landelijke Ombudsvrouw, gesteund door talrijke vrouwen- en ouderenorganisaties, vragen de Tweede Kamer om ondersteuning van een wat minder mager reparatieplan dan dat van de Stichting van de Arbeid. In de eerste plaats wordt voorgesteld het aantal jaren inhaalpensioen te verhogen tot vijf jaar per vijf dienstjaren, zodat deze groep vrouwen alsnog eenzelfde pensioen kunnen krijgen als mannen. Het Fonds Voorheffing zou daarvan 50 procent kunnen subsidiëren. Uit actuariële rapporten blijkt dat dit het Fonds vijfhonderd miljoen gulden zou kosten en werkgevers eenzelfde bedrag.

Ten tweede willen de vrouwen dat deeltijdwerkers alsnog aanspraak op aanvullend pensioen krijgen. Als dit voor 50 procent wordt gesubsidieerd door het Fonds Voorheffing wordt de subsidielast door de actuaris geschat op ƒ 400 à 700 miljoen gulden. Eenzelfde bedrag zou door werkgevers op tafel gelegd moeten worden.

Als het hiermee gemoeide bedrag voor het Fonds Voorheffing lager uitvalt dan geschat omdat minder vrouwen hun rechten opeisen of niet alle werkgevers meedoen, stellen de vrouwen voor een deel het resterende bedrag in het Fonds te reserveren voor een aanvulling op het AOW-pensioen van alleenstaanden, die geen aanvullend pensioen hebben of een aanvullend pensioen van minder dan ƒ 100 per maand. Dit zijn voor het grootste deel vrouwen. De kosten van een aanvulling van ƒ 1000 per jaar raamde de Anbo op ƒ 300 miljoen.

De totale lasten van de drie maatregelen bedragen twaalfhonderd tot vijftienhonderd miljoen gulden, dat is in totaal 31,5 à 40 procent van het eigen vermogen van het Fonds Voorheffing. Er resteert dan nog 2300 à 2600 miljoen van het vermogen voor de pensioenopbouw van oudere werklozen. Het is redelijk 30 à 40 procent van het voor dit doel in het Fonds Voorheffing gevormde potje te besteden aan de reparatie van vrouwenpensioenen.