Verraad

In het corporatistische scala van mens en maatschappij is er een ras dat ik niet begrijp: voorzitters. Waarom wil iemand voorzitter worden? Vroeger, toen het leven zich nog in het dorp afspeelde, was het een kwestie van elitaire sociale eenstemmigheid. De burgemeester, de notaris, de voorzitter wilden hun eigen koor blijven, dwars door de salons van traditie en beschaving heen. Ze maakten zichzelf wijs dat geluk het monopolie van de aristocratie is. Democratie, zo wisten ze, was er voor de varkens - zij presideerden namens een hogere moraal. Misschien wel namens de koningin.

Maar goed, ook in Epe is het dorp uit de mens en dus zijn moderne presidenten van een ander archetype. De bewakingsopdracht van het voorzitterschap voor een betere wereld is weggevallen, ze doen het nu voor zichzelf. Lintje toe. En waarom dan? Allicht is er sprake van een eeuwigheidsprobleem. Deze lui kunnen niet wachten op een grafsteen tot ze dood zijn. Ze willen zelf, in de volle bloei van het leven, hun alter ego zien en voelen. In brons gegoten, zoniet toch vermarmerd. Zo lopen ze ook, gesteven in martiale nostalgie.

Voorzitters van het ancien régime waren meestal een vlezige verschijning. Breedbespraakt en gestaald in Bourgondische bonhomie. Dat is weg. Aan het hoofd van de tafel zit nu het boekhouderstype: ascetische aanblik, perkamenten laagje vernis over het gezicht, kleine, verzorgde handen. De rococo zit van binnen. Staatsen, Van den Herik en andere Berlusconi's suggereren sobere daadkracht. Ze drijven op de Ross Perot-factor: houten emoties, simpele ideeën. Bij hen is de macht nooit zoek. In hun slijmspoor is geen plaats voor het menselijke tekort en andere misverstanden. De heren-presidenten hebben het hele leven in zelfbeheer. Even uithuilen tegen de warme rug van moeder, de vrouw, kan niet. La vie en rose.

Vroeger wilde de voorzitter van Vitesse op maandagmorgen nog wel eens roepen: “Zijn de shirtjes al gewassen?” Of spijkerde hij persoonlijk het gevallen bordje tegen de muur waarop in moeizaam handschrift stond geschreven dat er in de kleekamer niet gevloekt mocht worden. Dit aspect van de zorgzame samenleving is uit het presidentiële aureool gevallen. Je ziet op zondagmiddag ook niet een voetbalpresident meer naar de F-side lopen waar de kleine pelgrims met hun deemoed en deernis en hun clubsjaaltje zich opmaken voor het wekelijkse moment suprême. De voorzitter laat zijn glorie liever verdampen in loges of business-seats.

Mijn geloof in de gratuïte noblesse van sportleiders heeft een fatale deuk gekregen sinds bekend werd dat de peetvader aller voetbalpresidenten premier van Italië wil worden. Deze ontmaskering treft het hele genootschap. AC Milan als loopbruggetje naar de politiek: wat een verraad! Een voetbalclub staat als een koninkrijkje van haar alleen buiten de tijd. En dus zeker buiten de politiek. Forza Italia: het klinkt in San Siro toch anders dan in een congreszaal van de fascistische MSI of in een rokerige achterkamer van de Lega Nord. Dat Silvio Berlusconi de politieke integriteit van Craxi heeft leeggeplunderd voor zijn commerciële televisiezenders is nog tot daar aan toe. Maar jarenlang het autonome voetbalhart van honderdduizend tifosi misleiden voor een parlementair mandaat is een schofterigheid te ver. Presidenten horen dienend te zijn, niet het volk.

Jacques Ruts had tenminste het fatsoen om bij PSV ontslag te nemen voor hij aan zijn reidans op het Binnenhof begon. Zonder het smartegeld van 1 miljoen dollar had prins Feisal, zoon van koning Fahd, nooit de hand van Leo Beenhakker mogen drukken. Zoals er voor Ted Troost geen groter geluk kan zijn dan even de kuitspier van Marco van Basten mogen strelen, had het voorzitterschap van AC Milan voor Berlusconi het hoogste privilege moeten blijven. Daar kan geen premierschap tegenop. Tot ver buiten Italië was Milanello voor ons, argeloze zondagskinderen, het buitenhuis van God. Die droom is nu vernield, met de kracht van een B52-bommenwerper.

Ik vrees het ergste. Nog enkele jaren en in het trendgevoelige Nederland staan sportleiders in de rij voor een zeteltje in het parlement. Centrum-rechts. Huijbregtsen naast Brinkman in de ministerbank: dan is het eeuwenoude gevecht van deze natie tegen regen, mist en klei vergeefs geweest. Alleen Van Hanegem kan dat nog goedmaken door in het heetst van het begrotingsdebat een shagje te draaien voor Ien Dales.