Tegen de klok

Twee keer is Jan Beekman uit Groningen kleine zwanen in het voorjaar gevolgd naar hun broedgebied, een smalle strook aan de kust bij de monding van de Petsjora, het noorden van Rusland. Dit jaar arriveerde hij op 4 juni. “Alles nog stijf bevroren. In ons kamp lag twee meter sneeuw.”

Normaal pauzeert de winter ginds van eind mei tot eind september, 120 dagen. Kleine zwanen hebben honderd dagen nodig om te nestelen, te broeden en hun jongen groot te brengen. De beslissende vraag is of de jongen op tijd kunnen vliegen. Er hoeft niet veel tegen te zitten (dat de ene winter te laat eindigt of de volgende te vroeg begint) en het lukt gewoon niet.

In de nazomer verzamelen oude en jonge kleine zwanen op het water. Ze voeden zich dan met de wortelvormen van diverse fonteinkruiden. (Kleine zwanen op water, dat was ook bij ons gebruikelijk. Maar wij hebben bijna geen fonteinkruid meer. Grazen op weiland, nu het vertrouwde beeld, is voor deze vogels maar tweede keus.)

Bij een vroege inval van de winter zien kleine zwanen zich gedwongen hun niet-vliegvlugge jongen in de steek te laten. Deze blijven verweesd achter en beginnen te lopen. Ze lopen om in de buurt van open water te blijven. Maar het ziet eruit alsof ze lopend proberen weg te komen uit de onmetelijke ruimte van de toendra. Het ziet er tragisch uit.

De kou verstijft. De sneeuw dekt alles toe.