Roerloos zitten zwijgen terwijl het donker wordt; Bewth voor een persoon

Gesteld: je krijgt een brief waarin staat dat je dan en dan zult worden afgehaald in een café. Je kent de afzender - veertien jaar geleden heb je haar voor het laatst ontmoet. Ze is waar je wel eens van wil dromen om haar van top tot teen te kunnen herinneren. Je bent benieuwd of ze nog altijd zo is. Ze vraagt met klem of je alleen wil komen. Ze zal je wat laten beleven, schrijft ze. Er is één voorwaarde verbonden aan de uitnodiging - en die is dat je over haar zult schrijven. Wat er ook gebeurt, je moet verslag van haar doen, en je lezers deelgenoot maken van je belevenis.

Deze sprookjesachtige brief heeft een aantal mensen gekregen. Voor zover ik weet zijn meer dan twintig van hen op het hun toegemeten tijdstip naar het bewuste café in Haarlem gegaan. Ik ook - en pas nu, achteraf, duizelig van de sensaties die me deelachtig zijn geworden, begrijp ik dat ik m'n ziel verkocht heb. Ik moet u nu vertellen wat ik heb beleefd, en kan dat niet.

Ze heet Bewth. Dat is een afkorting voor Bewegingstheater. Vierentwintig jaar geleden, in het voorjaar waarin ik op eigen kracht naar theater begon te gaan, heb ik haar voor het eerst gezien, in de Buurkerk in Utrecht. Zeven jaar later werd ik toneelrecensent van Vrij Nederland, en heb ik verschillende malen over haar geschreven. Aan die enthousiaste stukken heb ik vermoedelijk mijn uitnodiging te danken; voor het laatst zag ik Bewth in '79, in Amsterdam.

Bewth bleek niet veranderd te zijn - maar als je iemand lang niet hebt gezien merk je eerst de overeenkomsten op, en later pas de verschillen. Alle medespelenden waren nu vrouw. Op Klaske Bruinsma na droegen ze andere namen. Hun voorstelling bleek zich af te spelen op de reusachtige zolder van een gebouw dat pas na afloop het Frans Hals-Museum bleek te zijn. Ik was via een achteringangetje, enkele daken en een stelsel van smalle trappen naar binnen geleid. Rare Orpheus-sensatie, dit omkijken achteraf en weten: daar heeft het zich allemaal afgespeeld. Iets soortgelijks beleef je wanneer je 's avonds laat ergens met de boot aanlegt om pas 's morgens te ontdekken waar je precies bent.

Een voorstelling van Bewth laat zich het best vergelijken met de schemering. Sommige mensen knippen als het schemert het licht aan. Bewth is meer als mijn grootouders: die bleven roerloos zitten zwijgen terwijl het langzaam donker werd. Niet alleen veranderde hun kamer van karakter, maar ook hun waarneming onderging een metamorfose; terwijl het licht week mengden zich hun gedachten en innerlijke voorstellingen met wat ze steeds minder goed konden zien. Als kind begreep ik niet waarom ze zo roerloos werden, maar nu ik zelf een liefhebber van schemering ben geworden, weet ik dat het helemaal geen kwestie van niet het licht aan willen knippen is. Het is juist een soort natuurlijke verdoving. Speciaal op het water, waar je het best kunt schemeren, is het bijna onmogelijk om in actie te komen terwijl de zon verdwijnt. Er neemt iets bezit van je; je bewustzijn schakelt om van waarnemen naar luisteren; je wordt waaks en contemplatief tegelijk; en als het stil is begin je, zoals een buurkind het noemde, 'naar binnen te luisteren'.

Door een voorstelling in een onbekende, doodstille ruimte te choreograferen, met een hoeveelheid licht die steeds net onvoldoende is om alles werkelijk waar te nemen, en door in deze steeds maar wijkende belichting met een soort diabolische precisie mensen, taferelen en klanken te laten opdoemen, word je dat wat je vroeger een groot ontzag inboezemde: je eigen grootmoeder, en neem je een voorschot op de Supreme Slaap waar zij zich roerloos in leek te oefenen. In deze waakslaap doen zich wél mensen voor, maar ze zijn nooit zo begrijpelijk dat je hoeft te weten waarom je er nog bent.

Een deel van deze Bewth-voorstelling, die overigens 'de Cycloop' heette, omdat we dus steeds maar het enige oog waren, en omdat er tijdens de taferelen soms gespeeld werd met verwijzingen naar Odysseïsche roeiers, naar scheepsverkeer, en naar Ver Reizen, speelde zich af op ooghoogte met een eindeloze reeks zolderbalken. Omdat ik alleen was, hadden ze me precies zó neer kunnen zetten dat de balken een ononderbroken vloer leken. Toch doken er langzaam gezichten op uit deze zee van balken, vlak bij me, in de verte. Het was de avond van de decemberstorm, alles kraakte en bewoog en werd een schip. Omdat zeilen voor mij dikwijls betekent: als enige iets meemaken wat ik niet na kan vertellen, had ik dubbelsterk het gevoel dat de hele voorstelling uit mijn eigen geheugen voortsproot. Dit is de onnavolgbare kracht van Bewth - het anonieme, nooit vage maar altijd ongrijpbare karakter van de taferelen - je hebt evenveel eigen herinneringen nodig om ze op je in te laten werken als beelden van Bewth zelf. De voorstelling ontstaat, inderdaad, tussen je netvlies en de werkelijkheid. En daarom is er geen theater zo doet verlangen nu en dan iemand aan te stoten als dit.

Maar dat kon dus niet.

Ik wist dat ik pas iemand aan zou kunnen stoten door over de avond te schrijven, nu dus; en dat ik, hoe ik schrijvend ook zou stoten, niemand op datgene meer zou kunnen attenderen wat me tot aanstoten noopte. Van te voren dacht ik dat ik het zeker wel prettig zou vinden om de enige te zijn die 'het' beleefde - maar het was verwarrend, ik voelde me te uitverkoren.

Schrijven over missen is het moeilijkste schrijven - ik had het gevoel de hele voorstelling te missen, omdat ik iemand naast me miste. Ik dacht verschillende malen aan de andere dingen die ik wel heb meegemaakt maar niet goed heb kunnen navertellen, en ook daarvan weet ik dat ik ze nooit helemaal heus lijk te hebben meegemaakt, hoe enerverend ze ook waren.

Toch was het allemaal precies waar Bewth, nu al een generatie lang, over gaat, en hopelijk tot mijn tachtigste over blijft gaan. Er bestaat een waarneming die je afzondert, zelfs al zit er publiek om je heen. Alle theater tracht een publiek te binden, maar als het er op aan komt, en Lear stommelt het toneel op met in zijn armen Cordelia, of Orestes wankelt de paleisdeur uit met aan zijn handen bloed, of Oom Vanja laat zijn gasten uit en keert terug om door te gaan werken - dan valt de zaal in precies evenveel enkelvoudige ervaringen uiteen als er toeschouwers zijn. Dat is de dramaturgische schemering waar het allemaal op uitdraait, en die kennen we van de werkelijkheid, van oude mensen die het licht niet aanknippen omdat ze de betovering van deze draaglijke eenzaamheid niet willen verbreken.

Het spijt mij dat u er niet was om aan te stoten, zelfs al weet ik dat u mij niet geweest zou zijn als u er wel bij was geweest, en precies dát had meegemaakt wat ik niet kan overbrengen: de schemering waarin je de enige bent.