Overmacht

Iedere morgen ongeveer om acht uur dringt uit het gerommel in de verte een geelgroene punt gierend lawaai op die zich in het oor boort, enige seconden lang in kracht toeneemt en dan overweldigd wordt door het gebrul waarmee even later de vliegmachine zwaar hangend over de huizen komt op weg naar Schiphol.

Als het gebrul weggetrokken is blijft het anderhalve minuut rustig, met auto's in de straat en een heiblok op de achtergrond. Zou onze aandacht zich weer op eigen zaken mogen richten? Nee, daar komt een nieuwe geelgroene punt aan. De oren krimpen weer, en de hoofden buigen zich voor de overmacht.

Zo gaat het sinds de zomer in Amsterdam-Zuid, gewoonlijk 's ochtends tussen acht en negen, dan weer om lunchtijd en nog eens tussen zes en zeven 's avonds. Soms komt er een kleintje tussendoor dat niet kan brullen, alleen sissen, en dat harder lijkt te moeten vliegen om dezelfde snelheid te bereiken als de logge bruten.

Wat doet de stad zich vriendelijk voor in de tussenliggende uren! Een hondebezitter fluit, een karretje van de gemeentereiniging zoemt, een auto-alarm gaat zonder aanleiding af, een ambulance loeit, een rotje knalt: de geluiden zijn niet allemaal verkwikkelijk, maar ze zijn aards en incidenteel.

De rust klinkt alsof zij nooit verbroken zal worden, maar die indruk komt van binnen uit, doordat wij niet kunnen leven zonder hoop. Wij zouden beter doen met ons voor te bereiden en schrap te zetten; of anders met het volgende vlieguur elders in de stad door te gaan brengen, en een plan te maken voor gauw nog eens een week in de vrijheid buiten Amsterdam.

De enige hoop die vervuld kan worden is dat er geen storm uit het westen opsteekt, die de consequentie heeft dat de vliegtuigen uren achtereen overkomen. Zo ging het overdag op 17 oktober, de zwartste dag van het najaar, en opnieuw op de avond van 8 december, en de volgende dag. Dan wordt Zuid uit de lucht behandeld net als Aalsmeer of Zwanenburg, en het is minder afgeschermd. Slapen onder een aanvliegroute blijkt de burgerlijk verwarmde variant van slapen onder de spoorbrug.

Wie het niet uithoudt kan het nummer voor vliegtuiggeluidshinder Schiphol opbellen en een stukje inspraakkomedie opvoeren. Een stem uit een vreedzaam kantoortje verzekert dat de klachten niet tot potloodstreepjes teruggebracht worden, vier naast elkaar en dan het vijfde schuin er doorheen. Het hinderbureau is een zelfstandig lichaam dat de tijd en de ernst ervan noteert en alles bespreekt met Schiphol en de omliggende gemeenten. Nu en dan komt er een rapport uit, dat het bureau best aan belangstellenden wil toesturen.

Het rapport is nooit gekomen, niet in de brievenbus tenminste. Nog eens opbellen dan; of proberen er niet op te letten, zoals iedere wijsgeworden burger die weet dat het allemaal niets uithaalt? De belangen aan de andere kant zijn te groot; machtige transportondernemingen kunnen niet bij alle opgestoken handjes stilhouden. Zij hebben zelfs geen tijd om het publiek verklaringen en verontschuldigingen aan te bieden, zoals sommige aannemers van wegwerken. Er is trouwens een ander soort rapport uitgekomen dat hen steunt met bewijzen dat er geen bewijzen zijn van schade voor de gezondheid door vliegtuiglawaai. Allicht dat dan de werkgelegenheid in de Haarlemmermeerpolder alle klachten overtroeft; en er zijn toch al vele miljoenen uitgegeven om de slaap van de ergste mopperaars te behoeden, op voorwaarde dat zij hun ramen dicht laten.

Nog niet grondig onderzocht zijn de haat en nijd en kwade wil die het gieren en brullen opwekken bij de slachtoffers onder de aanvliegroutes. De meeste mensen kiezen als zij kunnen voor onderwerping aan de machine, maar zij zijn niet altijd meester over hun eigen gevoelens. Ikzelf merk dat het lawaai mij ophitst om dwars te liggen en onheil aan te richten. Als ik ze op Schiphol niet krijgen kan vind ik wel anderen om mijn ongenoegen op te verhalen; en als dat niet werkt ga ik het verdelen over de stemming waarin ik de samenleving in het algemeen bejegen.

In een tijd waarin wel eens de vraag gesteld wordt waarom zoveel mensen elkaar slechtgezind zijn, niet alleen in vreemde benarde landen maar ook in onze vrijgevige democratie, zou deze kwestie een rapport waard kunnen blijken.