Nederlandse media zijn fatsoenlijk èn hypocriet

Wij hebben in Nederland een fatsoenlijke pers. Deze mening kan men van tijd tot tijd in de krant lezen, en wordt meestal door vertegenwoordigers van de pers zelf verkondigd naar aanleiding van een opschudding verwekkende publikatie in het buitenland. Niet lang geleden gebeurde dat weer eens toen de Mirror-bladen de in het geheim genomen fitness-foto's van prinses Diana publiceerden. Zoiets zou in Nederland niet gebeuren!

Intussen verscheen wel een foto van de voorpagina van de Engelse krant - en daarmee dus ook de gewraakte foto - in alle serieuze Nederlandse bladen. Niet geheel zonder hypocrisie, als men daarbij in ogenschouw neemt dat, voor zover mij bekend, geen enkele Engelse kwaliteitskrant de foto's overnam.

Maar nu de vraag. Zijn onze kranten fatsoenlijk, of liever: fatsoenlijker dan buitenlandse kranten? Ik geloof het niet. Ik denk dat iedere krantenredactie in een democratische samenleving geneigd is de grenzen te verkennen van hetgeen nog net wel en net niet meer journalistiek-ethisch en juridisch rechtmatig is te achten. Die grenzen liggen niet voor alle tijden en voor alle media gelijk, en zijn mede afhankelijk van het belang van het te publiceren nieuwsfeit en van het 'hoge-bomen-vangen-veel-wind' beginsel. Die grenzen worden altijd en overal gevonden in een afweging van de vrijheid van meningsuiting en drukpers enerzijds tegen privacy-belangen anderzijds. Ik denk dat redacties zich voor het uitzetten van hun beleid altijd en overal op die grens oriënteren.

De voornoemde begrippen journalistieke ethiek en juridische rechtmatigheid vallen weliswaar heel vaak samen, maar dekken elkaar toch niet geheel. Dat wil zeggen dat er journalistiek verwerpelijk handelen bestaat dat niet onrechtmatig is, en - het tegenbeeld - dat er door journalisten onrechtmatig kan worden gehandeld zonder in strijd te komen met journalistieke codes. Van beide geef ik u een voorbeeld.

Een freelance journalist belde Herman Finkers op. Hij noemde zijn naam en functie en vroeg om een interview. Finkers antwoordde dat hij daar geen zin in had, maar hij verbrak het gesprek niet. Volgens Finkers duurde het gesprek 7 à 8 minuten, volgens de journalist een kwartier. In het gesprek kwamen allerlei zaken aan de orde, zoals het succes van een boekje dat Finkers had geschreven, zijn stijgende ster als entertainer, zijn nieuwe programma en ook zijn privé-leven. Tegenstribbelend gaf Finkers zijn antwoorden, of beter: beaamde hij de veronderstellingen van de journalist, steeds daaraan toevoegende dat hij absoluut geen interview wenste. Korte tijd later verscheen het interview toch, en wel in Privé. Het begon met de mededeling dat Finkers eigenlijk geen interview wilde, en daarna kwamen alle zaken aan de orde die in het gesprek de revue waren gepasseerd. Alles wat erin stond was besproken en er stond geen enkele onwaarheid in! Ik vond - en vind nog steeds - dat deze journalist in strijd met de ethiek van zijn beroep heeft gehandeld, maar een onrechtmatigheid kan ik er niet in ontdekken. Als men welbewust met een journalist praat en blijft praten moet men met publikatie rekening houden, ook al zegt men die niet te wensen.

Nu het tegenbeeld.

Aan de hoofdredacteur van een kwaliteitskrant heb ik eens gevraagd wat hij zou doen in het volgende geval. Een man komt op zijn kantoor met een verzegelde enveloppe, voorzien van het opschrift 'geheim', afkomstig van het ministerie van algemene zaken en gericht aan de minister van economische zaken. De man zegt dat hij de enveloppe heeft gevonden op straat, vlak naast de auto van de minister. Hij wil de enveloppe aan de hoofdredacteur afgeven, maar hij wil er 500 gulden voor hebben. Vraag aan de hoofdredacteur: “Betaalt u die 500 gulden?” Het antwoord luidde, zonder veel nadenken: “Jazeker.” Begrijpelijk, want als de hoofdredacteur niet op het aanbod ingaat, geeft hij een mogelijk belangrijke primeur uit handen. Daarom denk ik dat de journalistieke ethiek zich tegen deze handelwijze moeilijk kan verzetten. Maar toch is hier niet slechts sprake van onrechtmatig, maar mogelijk zelfs van strafbaar handelen van de hoofdredacteur.

Eens vorderden belanghebbenden in kort geding tegen een landelijk dagblad een verbod tot verdere publikatie van een foto van hun overleden man en vader, die op onvoldoende gronden van een ernstig misdrijf verdacht was geweest, doch die nimmer was vervolgd, laat staan veroordeeld. De gepubliceerde foto was kennelijk afkomstig uit het politiedossier. Op een vraag aan de ter zitting aanwezige journalist, hoe hij aan de foto was gekomen antwoordde deze letterlijk (en zijn antwoord verwekte enige hilariteit): “Ik heb die foto op journalistieke wijze verkregen.” Een elegant antwoord, maar wat moet men zich erbij voorstellen? Ik kan niets anders bedenken dan: het, al dan niet tegen beloning, misbruik maken van de schending door een politie-ambtenaar van zijn ambtsplicht, of een ander soortgelijk onrechtmatig handelen.

Er gaat bijna geen week voorbij of men kan via de media vernemen dat uit een geheime of vertrouwelijke notitie, die is uitgelekt, bekend is geworden dat... etc. Wat is eigenlijk dat 'lekken'. Wie lekt er, en welke rol spelen de media daarbij? Moet ik bij dat lekken denken aan laakbaar of misschien strafwaardig handelen? Als zoiets vroeger gebeurde dan moest en zou “de onderste steen boven komen” om het lek op te sporen. Tegenwoordig lijkt de samenleving erin te berusten dat geheimen niet meer veilig zijn, en dat de privé-levenssfeer steeds verder onder druk komt te staan van de wijze waarop nieuws wordt vergaard.

Natuurlijk moet er een grote mate van vrijheid van nieuwsgaring bestaan, maar wie moet grenzen aan die vrijheid stellen? Ik vind dat de media het niet telkens op een rechterlijke toets moeten laten aankomen, maar zelf actief criteria moeten ontwikkelen om grensoverschrijdingen te voorkomen.

Ik besef dat deze materie weerbarstig is en nogal wat vragen kan oproepen. Gelet op de gezamenlijke aansprakelijkheid van redactie en uitgever zou denkbaar zijn daaromtrent een regeling op te nemen in het redactie-statuut, maar ook andere oplossingen zijn denkbaar. Hoe dan ook zullen de media zelf iets moeten doen aan het voortwoekerende verschijnsel van het 'lekken' en andere verwerpelijke wijzen van nieuwsgaring. We hebben immers een fatsoenlijke pers!