Michel Scholten

Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59. T/m 2 jan. Di t/m zo 11-17u, 24 en 31 dec 11-16u. 25 dec en 1 jan gesloten.

Kan de kunst nog zonder kitsch? Wie de tweede tentoonstelling van Bureau Amsterdam, Nothing is lost bekijkt, is eerst geneigd te denken van niet. Volgens het vouwblad bij de expositie maken de drie exposanten allen op een persoonlijke manier van de kunstgeschiedenis gebruik. Maar het gebruik van kitsch springt meer in het oog. Ook al is het in werkelijkheid nog mogelijk zonder bijgedachten te genieten van een zonsondergang, het serieus afbeelden van een dergelijke scéne is heel wat moeilijker. Henk Jonker (Hoogezand-Sappemeer, 1969) probeert het niet eens. Jonker, die zich ook op Edvard Munch schijnt te baseren, schildert grof verliefde paartjes na uit fotoromannetjes, die elkaar kussen in een kerstboombos. Het enige dat deze schilderijen oproepen, is verlangen naar kunstenaars die dergelijke taferelen zonder ironie te lijf kunnen gaan, of die laten zien dat ook kitsch wel degelijk tot echte gevoelens kan aanzetten. Een voorbeeld daarvan zijn de verwachtingsvolle, met make-up besmeurde ogen van meisjes die meedoen aan een Miss Barbieverkiezing op een recent werk van Barbara Visser.

Ook Elisabet Stienstra (Gasselternijveen, 1967) maakt voor haar grote beelden soms gebruik van populaire cultuur, maar ze doet dat minder eenduidig dan Jonker. Haar Drie Gratiën zijn verwarrende sexy barbies die elkaar met genoegen betasten. Zij kijkt niet neer op kitsch, maar ziet het net als de hogere kunst als een bron van beelden die iedereen raakt. Het witte beeld van een jong meisje dat dood of slapend op de grond ligt doet denken aan een lichaam uit Pompeji, ook al heeft zij eveneens een poppegezicht.

De derde exposant, Michel Scholten (Rotterdam, 1961), lijkt zich zowel van kunst als van kitsch weinig aan te trekken, hoewel ook zij zich volgens het vouwblad op kunsthistorische bronnen baseert. Haar drie beelden zijn tamelijk klein, onooglijk en kauwgomkleurig. Met zo weinig mogelijk weet ze tot zeer expressieve beelden te komen. Haar Zittend dier heeft poten en een buik, daarboven groeit een massa die geen bekende vorm wil aannemen. In de achterzaal zit een oude, tandeloze dwerg met zijn beentjes recht vooruit en zijn handjes tot vuisten geknepen woedend te wezen. Ook Scholtens embryo, Mens getiteld, is een monster. De stompjes die later armen en benen moeten worden hebben nog wel iets schattigs, maar zijn brede open bek en grote neusgaten wekken afschuw. Wordt dit nu een mens? Embryo's komen in de kunstgeschiedenis bijna niet voor, misschien omdat ze pas sinds kort levend zichtbaar zijn. De beelden van Scholten hebben niets frivools en dat is een verademing. Ze levert stof voor nachtmerries.