Kamers zonder uitzicht; De zwarte wanhoop in de zedenromans van Edith Wharton

Zonder conventies valt niet te leven. Dat is de harde waarheid die naar voren komt uit het werk van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton. Haar bitterzoete meesterwerk The Age of Innocence, zeventig jaar na verschijnen opnieuw een bestseller in Amerika, is nu als kostuumdrama verfilmd door Martin Scorsese. “Interieurs waren voor Wharton altijd spiegels van de ziel.”

Edith Wharton: De jaren van onschuld. Vert. Christien Jonkheer. Uitg. Prometheus, 293 blz. Prijs ƒ 34,90.

De meeste romans, verhalen en novellen van Edith Wharton zijn verkrijgbaar als Penguin Book of Collier Book.

De film 'The Age of Innocence' van Martin Scorsese, met in de hoofdrollen Michelle Pfeiffer en Daniel Day-Lewis, gaat komende week in Nederland in première.

Edith Wharton hield van huizen, Edith Wharton haatte huizen. In het leven en het werk van de Amerikaanse schrijfster, die geboren werd in New York tijdens de Burgeroorlog en stierf aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in Parijs, doemt telkens weer het huis op als een dubbelzinnig symbool: nu eens als een warm en ordelijk thuis, dan weer als een troosteloze gevangenis. Haar eigen majesteitelijke landhuis, The Mount, in Lenox, Massachusetts, dat in haar opdracht werd gebouwd en sindsdien onlosmakelijk met haar naam is verbonden, bestemde ze als rustpunt in haar reizende leven, maar ze was er nog niet binnen of ze begon naar Europa te verlangen. De huizen, appartementen en hotelkamers die haar in haar jakkerende sociale leven onderdak verschaften, werden door haar met haar smaak ingericht - vóór ze weer vertrok. Veel van de waarschijnlijk apocriefe anekdoten over Wharton, die haar wereldse gevoel voor humor moeten bevestigen, gaan over huizen (Amerikaanse gastvrouw: 'And this I call my Louis Quinze room.' Wharton, starend door haar lorgnet: 'Why, my dear?')

Interieurs waren voor haar altijd spiegels van de ziel. Als je dat weet, is de eigenaardige manier waarop ze aan het begin van haar leven als schrijfster afrekende met het claustrofobische milieu van de New Yorkse upper class waarin ze was opgegroeid, minder verwonderlijk; ze schreef niet over die mensen, maar over de huizen waarin zij woonden. In het koffietafelboek The Decoration of Houses (1897), haar debuut als schrijfster, bewees ze haar onafhankelijkheid van de benauwde kringen van haar jeugd door hun interieurs op papier eens flink te verbouwen. De jonge Edith Wharton nam geen wraak op haar liefdeloze moeder door haar met venijn te portretteren in een roman of verhaal, maar door de salon van haar ouderlijk huis te beschrijven als een soort luxe isoleercel, 'met hun dubbele gordijnen die zo hangen dat ze het daglicht tegenhouden en 's nachts niet neergelaten kunnen worden.' Het was een onmachtig soort rebellie, want Wharton vernietigde de wereld van haar ouders niet, maar veranderde alleen; de muren mochten blijven staan, er moesten alleen nieuwe gordijnen komen.

Er was ook geen sprake van een definitief afscheid. Toen in de jaren twintig de moderne wereld ongrijpbaar voor haar bleek te zijn geworden, boden de herinneringen aan datzelfde oude, voorgoed verdwenen New York haar en haar schrijverschap toch weer een veilig en vertrouwd onderkomen. De roman The Age of Innocence, dat bitterzoete meesterwerk, schreef ze in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, toen Wharton allang voor Frankrijk als tweede vaderland had gekozen, maar de onmogelijke liefde tussen Newland Archer en Ellen Olenska voltrekt zich in het New York van de late negentiende eeuw, in diezelfde salons met hun twee paar gordijnen. De wrange toon van dat boek wordt onmiskenbaar getemperd door weemoed. Zowel die bitterheid als die nostalgie heeft Martin Scorsese getroffen in zijn verfilming, die volgende week in première gaat. Over dit soort kostuumdrama's wordt vaak geklaagd dat het drama ten onder gaat in de schoonheid van de kostuums en interieurs, maar daar gaat The Age of Innocence nu juist over. De jurken zijn adembenemend, maar ze zijn ook, zoals Wharton schrijft, een 'harnas'.

Benauwde salons

Ook in die roman is het interieur een dubbelzinnig symbool. De intieme, 'buitenlandse' salon van gravin Olenska in de 23ste straat biedt de Newyorker Newland Archer uitzicht op een completer leven, een kans op ontsnapping uit zijn geregelde, passieloze bestaan: 'De sfeer van het vertrek was zo anders dan hij ooit had geproefd, dat zijn onbehaaglijkheid week voor een gevoel voor avontuur.' Voor gravin Olenska, een Amerikaanse die terug naar New York is gevlucht na een desastreus Europees huwelijk, weerspiegelt het huis haar vrijheid - maar ook haar ontworteldheid. Wanneer ze opnieuw in de hoge kringen van New York opgenomen wil worden, zal ze het moeten verruilen voor een van de benauwde salons waaruit Newland Archer nu juist wil ontsnappen.

Die levenslange ambivalentie is niet zo vreemd bij een schrijfster die ook mensen zelf als een huis beschouwde. Want Edith Wharton zag niet alleen in een interieur het innerlijk weerspiegeld, vaak zag ze in een innerlijk ook een interieur. In het vileine verhaal 'Xinghu' uit 1916 typeert ze de voorzitster van een cultuurminnend leesclubje: 'Haar geest was als een hotel, waar feiten kwamen en gingen als tijdelijke gasten, zonder hun adres achter te laten en ook regelmatig zonder te betalen voor hun verblijf.'

Die vergelijking is een bitse variant op een somber, hopeloos beeld dat ze haar hele leven bij zich droeg. Dat beeld is te vinden in een van haar eerste korte verhalen, 'The Fullness of Life', geschreven in de beginjaren van haar seksloze huwelijk met de goedzak Teddy Wharton. Daarin filosofeert een overleden vrouw bij de poorten van de eeuwigheid over haar aardse leven: 'Ik heb wel eens gedacht dat het wezen van een vrouw is als een groot huis met veel kamers: er is de hal, waar iedereen doorheen gaat wanneer hij naar binnen of naar buiten gaat; de salon waar je formeel bezoek ontvangt; de zitkamer, waar de leden van het gezin naar believen komen en gaan, maar daarachter, ver daarachter, liggen andere kamers, waarvan krukken van de deuren nooit neergedrukt worden. Niemand weet hoe er te komen, niemand weet waarheen ze leiden en in de binnenste kamer, het heilige der heiligen, zit de ziel eenzaam en alleen, wachtend op een voetstap die nooit zal komen.'

En meer dan tien jaar later, in een dagboek, wanneer ze zich afgewezen voelt door de man die later haar minnaar zal worden, de nietsnut Morton Fullerton: 'Ik dacht dat ik me toch vergist moest hebben. Mijn arme âme close schoof de grendels terug voor de luiken en deed de deuren weer op de knip, en het stof verzamelde zich en de spinnewebben werden dikker in de lege kamers, waar ik een moment een echo had gehoord.'

Nigger songs

Edith Wharton schreef meer dan veertig boeken, waaronder zo'n vijftien romans (haar laatste, het onvoltooide The Buccaneers, is zojuist op een knullige manier afgemaakt en gepubliceerd door een Amerikaanse academica, die achteloos politiek niet-correcte frases als nigger songs in Deep South songs heeft veranderd; van je bewonderaars moet je het maar hebben). Dat ene beeld van de eenzame ziel in de binnenste kamer van een groot huis zweeft in vrijwel iedere roman op de achtergrond; het is de ziel van Lily Bart in The House of Mirth (1905), van Ethan Frome uit haar beroemdste novelle met dezelfde naam (1911), van Charity Royall in Summer (1917), de ziel ook van Newland Archer en Ellen Olenska in The Age of Innocence (1920). Bij de meeste van haar personages wordt de deur plat gelopen, met uitzondering van Ethan en Charity ontvangen ze aan een stuk door in salons, clubs en balzalen, maar de deur van het binnenste vertrek blijft gesloten. En anders dan bij de jonge E.M. Forster heeft geen van de kamers een uitzicht.

De zwarte wanhoop die schuilgaat achter de wereldse, vaak bijtend satirische toon van Wharton heeft tot veel misverstanden geleid over de aard van haar werk. De feministische critici die Wharton in de jaren tachtig herontdekten (tijdens haar leven was Wharton wereldberoemd, ze verkocht honderduizenden exemplaren en werd beschouwd als kanshebber voor de Nobelprijs, na haar dood zette de vergetelheid snel in) begrepen dat ze schreef over society, de manier waarop mensen met elkaar omgingen, de druk die de omgeving uitoefent op het individu. Whartons werk werd gezien als een aanval op die maatschappij. Vrouwen als Lily Bart in The House of Mirth en Ellen Olenska in The Age of Innocence werden tot slachtoffers van het stammeninstinct verklaard, vrouwen die beknot werden in de verwezenlijking van hun hartstochten, zoenoffers aan die boosaardige god van een bedreigde gemeenschap: de conventie.

Sjieke diners

Maar toch klopte het niet helemaal. Allereerst was er het leven van Edith Wharton zelf. Goed, er was een ongelukkig huwelijk, de affaire met Fullerton, een pijnlijke scheiding, gevolgd door een min of meer onafhankelijk leven - maar als Wharton tijdens de laatste jaren van haar leven iets was, dan was het wel behoudend. Ze verafschuwde het modernisme, linkse politiek, en eigenlijk alles dat met de nieuwe tijd na de Eerste Wereldoorlog te maken had. Ze koesterde de traditionele vooroordelen van de heersende klasse tegen joden en zwarten, hield van luxe, mooie huizen, dure kleren (Wharton bezat wat haar goede vriend en literaire raadgever Henry James 'de wilde, de bijna onsamenhangende vrijheid en rusteloosheid van de rijkdom' noemde), ging naar sjieke diners in de Faubourg Saint-Germain, waar ze de mensen trof die door Marcel Proust zouden worden geportretteerd als de laatste overlevenden uit een voorbije tijd. Het oude New York waaruit ze 'ontsnapt' was, bleef haar geestelijke thuisland. Het leek alsof ze diep in haar hart verlangde naar de conventies die ze kritiseerde in haar romans.

Knellende banden

En dat was ook zo. Als Wharton van iets doordrongen lijkt, dan is het wel van het besef dat zonder conventies niet te leven valt. Wie zich bevrijdt van knellende maatschappelijke banden, vlucht slechts in nieuwe conventies, nieuwe gemeenschapsregels; of hij komt alleen te staan, los van de gemeenschap - een schrikbeeld voor Wharton. Een mooi voorbeeld is 'Souls Belated', ook een vroeg verhaal: een vrouw laat haar conventionele echtgenoot in de steek en ontvlucht haar benauwende huis op Fifth Avenue. Samen met haar minnaar reist ze naar Italië. Daar weigert ze, na haar scheiding, met hem te trouwen. Ze doet een poging er alleen vandoor te gaan, maar uiteindelijk trouwt ze toch en keert samen met haar nieuwe echtgenoot terug naar de wereld die ze ontvlucht was.

In de wereld van Wharton bestaat er niet zoiets als een maatschappelijke bevrijding. Wie denkt dat een bestaan zonder conventies mogelijk is, maakt zich schuldig aan hypocrisie of leeft met een gevaarlijke illusie. Een huis mag dan een gevangenis zijn, zonder huis kan niemand leven. Dat is geen blijde boodschap, dat is een harde waarheid.

Veel van haar personages kennen de gespletenheid die dat besef met zich meebrengt. Newland Archer in The Age of Innocence, voorbestemd tot een bedaagd modelhuwelijk met May Welland, raakt in de ban van de ongrijpbare Ellen Olenska, die buiten de maatschappelijke orde van de hoge kringen in New York staat. Maar Archer is ook medeplichtig aan die orde, simpel en alleen omdat hij er door gevormd is. Hoe groot zijn verlangen ook is om de verstikkende conventies van zijn omgeving te doorbreken, hij kan er geen wezenlijk andere orde voor in de plaats stellen. En Ellen Olenska ook niet. Een van de redenen dat zij zich tot Archer aangetrokken voelt, is dat hij haar over de sociale kloof heen de helpende hand reikt; zij wil niets liever dan weer opgenomen worden in dezelfde maatschappelijke orde die hun liefde onmogelijk maakt. Het is hun omgeving, de wereld van de Mingotts, Wellands, Schuylers, die hun dreigende opstand tegen de conventies uiteindelijk weet te bezweren, maar zowel Archer en Olenska leggen zich bij het schrikbewind van de salons neer, omdat zij het nu eenmaal niet in twijfel trekken.

En de hartstocht dan? Newland Archer beseft welke prijs hij moet betalen wanneer hij terugkeert in zijn gevangenis. Zijn verdere leven voltrekt zich rustig en passieloos: 'Iets had hij wel gemist: de bloem van het leven. Maar dat zag hij inmiddels als iets dat zo onbereikbaar, zo onwaarschijnlijk was, dat daarover treuren iets had van wanhopen omdat je niet de eerste prijs had gewonnen in de loterij. (-) Zij was het samengestelde beeld geworden van alles dat hij was misgelopen.' Maar: 'Als hij om zich heen keek, voelde hij eerbied voor zijn eigen verleden, en betreurde het verlies ervan. Er school per slot van rekening veel goeds in de oude gebruiken.'

Vraagtekens

Archers tragedie is voor ons des te tragischer omdat hij zichzelf niet tragisch lijkt te vinden. Zijn berusting tart alle wetten van de romantiek. De personages in de vroege romans van E.M. Forster zoals A Room with a View krijgen de kans om zichzelf te bevrijden; verzaken ze, dan zijn ze hopeloos verloren en verdorren en verdrogen ze onherroepelijk. Wharton zet pijnlijke vraagtekens bij die bevrijding. Ze erkent het onuitroeibare verlangen naar hartstocht, naar een ontsnapping uit het zeurende alledaagse, naar het onbekende, het onbereikbare en ongrijpbare, maar tegelijkertijd stelt ze dat het nagenoeg onmogelijk is om werkelijk vrij te leven in die hartstocht, vrij van de vertrouwde sociale context. Ik denk dat het vooral haar besef van die onherstelbare verscheurdheid is, die gezorgd heeft voor de opleving in de belangstelling voor haar werk (en die The Age of Innocence naar de top van de Amerikaanse bestsellerslijsten heeft gebracht).

Zuivere wellust

Mooi paradoxaal is dat de personages in Whartons romans en verhalen die de meeste hartstocht aan de dag leggen, vaak de mensen - meestal vrouwen - zijn die hunkeren naar maatschappelijk succes; nog een notie waarmee Wharton onze romantische illusies doorprikt. Vlak achter het maatschappelijke ligt het materiële en ik ken geen tijdgenoot van Wharton die de hang naar luxe en comfort zo overtuigend gestalte heeft gegeven als zij. Lily Bart in The House of Mirth voelt zich eigenlijk te goed voor de kring van verveelde rijken waarin ze zich beweegt, maar steeds opnieuw is ze niet bestand tegen de verleiding van het gerieflijke, het pure genot van de status, van een oppervlakkig welvarend leven, gericht op stralende uiterlijkheden - en uiteindelijk is dàt het dat tot haar ondergang leidt.

Het is de verleiding van lichamelijke schoonheid, van mooie kleren, van de spanning van het kansspel. Edith Wharton, die haar hele leven rijk is geweest, begreep die verleiding, de zuivere wellust die de materialist voelt voor dure dingen, hoe dodelijk ironisch ze die ook beschreef. Dat zijn geen emoties die je met een schrijfster associeert die het goed meent met vrouwen, sterker nog, de meeste lezers en critici verwachten ze helemaal niet bij een literair schrijfster - het is meer iets voor Jackie Collins. Maar het is juist dat vermogen geweest dat Wharton zo verrassend modern maakt, want je kunt niet zeggen dat de wereld sinds haar romans vergeestelijkt is.

Het verst ging ze in The Custom of the Country (1913), een van haar beste, maar minder populaire romans. De heldin, Undine Spragg, is een wonder van egosme. Ze trekt met haar ouders uit het provinciestadje Apex naar New York, dringt door tot de oude families van de stad en sluit wat ze voor een schitterend huwelijk houdt. Maar geen werkelijkheid kan aan haar tomeloze ambitie voldoen. Undine gaat van huwelijk naar huwelijk, van milieu naar milieu; van de Newyorkse aristocratie naar de nieuwe rijken, naar de Franse adel en uiteindelijk naar het milieu van de speculanten op Wall Street, de mensen die opkopen.

De ambitieuze Undine, een soort Alexis Carrington uit Dynasty (net iets minder vulgair, net iets meer de vermoorde onschuld) laat op haar voortgang door de moderne wereld het oude New York van Whartons voorouders ver achter zich. Wharton portretteert haar vernietigend, als een monster van berekening, maar er zit genoeg ambivalentie in haar portret om Undine fascinerend te maken. Bij vlagen lijkt ze een groteske uitvergroting van een kant van Wharton zelf, de rusteloze, doelloze, altijd ontevreden kant, die haar ieder huis, tot en met het oudste chateau, als een gevangenis deed zien. Opnieuw is Wharton gespleten: in haar satire betreurt ze het vergaan van een oude orde en tegelijkertijd beschrijft ze die orde als verstoft en verstikkend en lijkt ze te zwelgen in de naakte ambitie van haar heldin.

Een dergelijke gespletenheid maakt niet gelukkig - en af en toe toch ook weer wel. Aan het einde van haar autobiografie, A Backward Glance (1934), kon Edith Wharton schrijven: 'In onze persoonlijke levens zijn de jaren misschien dan wel droevig, maar de dagen hebben de neiging om stralend van vreugde te zijn. Het leven is het droevigste dat er is, na de dood; en toch zijn er altijd nieuwe landen te ontdekken, nieuwe boeken om te lezen (en te schrijven, hoop ik), een duizendtal kleine dagelijkse wonderen om je over te verbazen en te verheugen.'

Maar de deurkruk was nooit neergedrukt, de voetstap had ze nooit gehoord.