In het wispelturige brein van een eenzelvig meisje; Debuut van Ingrid Baal

Ingrid Baal: De weg van de jonge wolf. Uitg. Prometheus, 104 blz. Prijs: ƒ 24,90.

Ingrid Baal (1951) behoort tot het tegenwoordig veel voorkomende type van de rijpe debutant. Zij ging niet over één nacht ijs. Vijf jaar geleden, zo vertelde zij Ischa Meijer in Het Parool, besloot zij full-time schrijfster te worden, maar vanaf haar dertiende schrijft ze al. Uit 'honderden aanzetten tot verhalen' maakte ze voor haar debuut, De weg van de jonge wolf, een keuze. Haar officiële start, door haarzelf als een explosie omschreven, kun je na zoveel voorbereiding niet anders dan bescheiden noemen: een novelle van ruim honderd, niet al te dicht bedrukte bladzijden.

Maar het is wel sensitief, afgewogen en geconcentreerd proza. Je moet er het hoofd goed bijhouden, anders mis je zo een gedachtensprong. Ingrid Baal vertelt, hoezeer haar debuut ook geïnspireerd is door haar eigen jeugd, geen overzichtelijk, bekentenisachtig verhaal over een opgroeiend kind. Ons wordt slechts een blik gegund in het onderzoekende, wispelturige brein van een eenzelvig meisje.

Net als Ingrid Baal zelf, zoals ze uitlegde in bovengenoemd interview, is haar hoofdpersoon, Hilde Wolf, een buitenbeentje door haar afkomst. Zij is de dochter van een vrouw, die emigreerde uit een land dat opzettelijk vaag wordt gehouden, maar dat waarschijnlijk Suriname heet. Er ontbreekt een schakel tussen haar en de wereld, waardoor zij de dingen anders waarneemt dan ze zijn, en zijzelf, op haar beurt, niet begrepen wordt. Haar boekenwijsheden, haar neiging om in haar eentje onder een boom te zitten peinzen, dode insekten te verzamelen en hardop tegen zichzelf te praten worden eigenaardig en ook wel een beetje griezelig gevonden.

Voor houvast in haar leven zorgen de memoires van een verwante geest, een gevluchte Hongaarse circusartiest, die zij voortdurend raadpleegt. In navolging van deze koorddanser wil zij ook leren het evenwicht te bewaren tussen de eigen fantasiewereld en de zichtbare werkelijkheid, het ik en de ander.

Dat lijkt haar ook te gaan lukken, want ondanks de ernstige, hier en daar zelfs desperate ondertoon, doet de novelle ook optimistisch aan. Hilde rukt zichzelf als het ware los uit haar magische, besloten kinderwereld, door haar boom af te zweren, de dode insekten uit het raam te gooien en haar uit stenen gevormde 'gelukscirkels' op te heffen. “Afgelopen. Hilde liet een van de gladde stenen in haar broekzak glijden. Alles moest anders. De vaste beginselen van begrensdheid en beperking hadden nog niet met haar te maken. Alles moest en zou anders worden.”

Het is een voorlijke puber die Ingrid Baal opvoert, in een novelle die aan het eind wat topzwaar dreigt te worden, zo snel wordt het kind ineens groot. Op haar dertiende ontgroeit zij definitief haar kinderjaren. Zij zweert primitieve rituelen af, overweegt én verwerpt het idee van zelfmoord, laat zich inwijden in de liefde en gaat het mogelijk nog ver schoppen in de fotografie en de literatuur, zo wordt in een paar bladzijden gesuggereerd.

Veelzeggend is, wat de literatuur betreft, de slotzin van de novelle: “In haar hoofd was het een bonte optocht van halve woorden en zinnen, een ware springprocessie van vragen, voornemens en verlangens.” Waarschijnlijk zegt deze zin evenveel over de schrijfster als over haar heldin. Ik lees er althans de verzekering in van Ingrid Baal aan haar lezers dat er op deze bescheiden, maar welluidende explosie nog veel verhalen zullen volgen.