Het onderste hemd van het prive-lijf; Gerrit Komrij over de inwisselbaarheid van een televisiester

Gerrit Komrij: Dubbelster. Uitg. De Arbeiderspers, 247 blz. Prijs ƒ 29,90.

Is het mogelijk je volledig in het leven van iemand anders te verplaatsen? Figuurlijk, misschien. Maar letterlijk? Hoeveel zou je daarvoor moeten weten van zo iemand? Zijn lievelingsgerecht, zijn manier van lopen, zijn lachje?

Op de televisie zijn de laatste tijd spelletjes te zien waarin de deelnemers moeten raden wat iemand anders in een denkbeeldige situatie zou doen. Kenmerkend aan die spelletjes is de intimiteit. Het gaat niet langer om het tonen van eruditie, behendigheid of snelheid. Het gaat om zoiets persoonlijks als de kennis van de kleur van andermans ondergoed, of zijn manier van zoenen.

In zijn uiterste consequentie zou je je kunnen voorstellen dat kandidaten die goed in deze spelletjes zijn, op den duur het leven van de door hen bestudeerde ander zouden kunnen overnemen. In zijn deze maand verschenen roman Dubbelster heeft Gerrit Komrij dit idee op een originele en vermakelijke manier uitgewerkt. Het boek heeft alle kenmerken van een satire. Het verhaal is vrij mager. Het laat zien hoe een mysterieuze man uit Alkmaar zoveel van een geliefde televisiester te weten is gekomen dat hij zich voor hem uit kan geven zonder dat iemand het verschil merkt.

Maar de aankleding is des te boeiender. Tussen de loop van het verhaal door laat Komrij op een hilarische manier de gewoontes in de mediawereld zien. We zijn aanwezig bij de met intellectuelen gevulde redactievergadering van de moderne persoonlijkheidsshow. We maken kennis met het modieuze restaurant De Hangar aan de rand van het stadscentrum waar ons ons kent. We horen de gesprekken die worden gevoerd op de opening van een tentoonstelling. We genieten van een televisierecensie in een progressieve krant waar de onbenulligste opmerkingen als de grootste vernieuwingen worden voorgesteld. En - een van de mooiste scènes - we feesten mee op een besloten party van de televisie-tycoon Aart van de Koppel waar de hele 'stal' gedwongen is zich naar de grote baas te schikken.

Aan het eind van het boek komt de televisiester om het leven waarna hij door zijn bewonderaar vervangen wordt. In de ogen van Komrij is dit waarschijnlijk het verdiende loon van de ster die te veel van zijn privé-leven prijsgeeft. Had hij niet altijd bereidwillig meegewerkt met de roddelbladen die over hem wilden schrijven? Daar komt bij dat hij nog op een andere manier zijn ziel aan de duivel had verkocht. Zijn programma was zo populair omdat de deelnemers naar de eigenschappen van bekende Nederlanders moesten raden. De ster durfde naar 'het onderste hemd van het privé-lijf' te vragen. 'Aan de pijnlijkste zelfonthulling die, normaal gesproken, geen mens iets aanging, aan de vuilste was die men op het bleekveld aan de achterkant van de maan niet zou willen buitenhangen, wist hij een aspect van wereldprimeur en taboe doorbrekende karaktersterkte te verlenen.'

De ster is slachtoffer van zijn eigen gimmick geworden. Zijn dubbelganger, de dubbelster, heeft niet meer gedaan dan zijn boodschap in de praktijk brengen. De man die zijn geld verdiende met het inwisselbaar maken van sterren is zelf inwisselbaar geworden.

Scheerspiegel

Het aardige van Dubbelster is dat het thema van de inwisselbaarheid op verschillende manieren wordt uitgewerkt. Het boek wordt daardoor een aaneenrijging van hallucinaties en vergissingen. Aan het begin van het boek kijkt de ster bijvoorbeeld naar zijn dubbelganger in de scheerspiegel. Er treedt dan een verwarring op van rechts en links. De ster (niet toevallig Otto genaamd) en zijn spiegelbeeld, zo schrijft Komrij, zijn mensen die geen duidelijke linker- en rechterhelft hebben.

Elders ontstaat juist verwarring omdat de ster inwisselbaar blijkt met iemand die tegengestelde eigenschappen heeft. Zo blijkt zijn dubbelganger niet homoseksueel maar heteroseksueel te zijn en een verhouding te hebben aangeknoopt met zijn assistente. Aan deze tegenstelling knoopt Komrij een paar bespiegelingen over seksualiteit vast. Zijn veel verschillen in wezen oppervlakkig? Zijn alle homoseksuelen ook heteroseksueel en omgekeerd? Of is er in iedereen toch een dieper wezen dat duidelijke voorkeuren heeft?

Dubbelster is een verfrissend boek. Het motief van de inwisselbaarheid en de dubbelganger is natuurlijk niet nieuw in de literatuur, maar het is hier op een heel persoonlijke manier uitgewerkt. Zoals hij in zijn dankwoord bij de P.C. Hooftprijs liet weten, is Komrij naar zijn gevoel zelf ook uit meerdere personages opgebouwd. De ene dag vindt hij dit de andere dat. In Dubbelster heeft hij dit gevoel subliem vorm gegeven.

Geslaagd is ook dat het aloude thema hier verbonden wordt met allerlei eigentijdse verschijnselen. Komrij geeft zo een meedogenloos actueel beeld van wat wel de 'omslag naar het openbare' is genoemd. Hij laat zien hoe Nederland in het voetspoor van bekende Nederlanders bezig is de begrenzingen tussen individuen op te heffen.

Het enige zwakke punt dat je in de roman zou kunnen aanwijzen is de karakterisering van de ster. Komrij heeft, zo te zien, niet goed kunnen kiezen tussen een domme, oppervlakkige showmaster en een intelligente neuroot van het type Adriaan van Dis. Soms is de ster iemand zonder eigenschappen, iemand die inderdaad makkelijk inwisselbaar is, een nul, een windhaan. Dan weer loopt hij over van de persoonlijkheid, met allerlei aardige observaties en overpeinzingen. Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld wanneer de ster herinneringen ophaalt aan een tochtje naar het strand, en het visioen van een schip en een eiland waar evenwicht heerst.

Maar voor een gespleten persoonlijkheid als Komrij is deze ambivalentie misschien een noodzaak. Dubbelster is in ieder geval een genoegen om te lezen. Nooit eerder hebben de vele commentaren en aforismen van Komrij zo'n fraai kader gekregen.

UIT: GERRIT KOMRIJ, DUBBELSTER

Ik ben een oud vod, een lompenkraam, dacht hij bitter. Ik heb te hoog gegrepen. Ik hield te veel van me zelf. Ik dacht het in mijn leven gemaakt te hebben. Ik lag als een kat in de zon te spinnen over mijn eigen voortreffelijke eigenschappen. Maar ik ben een aap. Een lelijke aap. Een wangeboorte. Een maaksel van niks.

Hij stak zijn tong uit.

Een doodzieke, beslagen tong.

Ik moet berouw tonen, dacht Otto. Ik moet in een paardeharen zak over de korst van de aarde kruipen om de behoeftigen en de zwervers, de dwazen en de onaangepasten mijn voetzolen te laten zien. Ik moet as op mijn hoofd strooien en mijn lichaam verminken en wenen tot er geen druppel vocht meer in mijn romp zit. Ik moet boeten.

Zou het hem redden uit zijn troosteloosheid?

Waren de anderen niet nog erger dan hij?

Eerst spanden ze je voor hun wagen, en daarna deden ze of ze jou al die tijd hadden getrokken.

Ze droegen je op handen en hoe koud, hoe snel en koud, lieten ze je vallen. Ze hadden je alleen op handen gedragen omdat ook de anderen dat deden. Het waren altijd de meelopers, de types van het derde garnituur, de halve talenten.

Dat is wat ze van het derde garnituur maakt, dacht Otto nors.