Het bad van esthetiek; De stijlbreuk van beeldend kunstenaar Gerard Verdijk

In de tekeningen die Gerard Verdijk maakte in de jaren zeventig werd iedere kleuring angstvallig buiten de deur gehouden; de beschouwer had de keus om de logica van de kunstenaar te volgen of om zich er van af te wenden. Maar met de intrede van kleur en het loslaten van strenge structuren heeft zich iets tussen de kunstenaar en ons gewrongen: smaak.

Gerard Verdijk. T/m 16 januari in het Stedelijk Museum Amsterdam, Catalogus 55 gulden.

Een kunstwerk is als een lichaam: het windt je op, of het windt je niet op, heb ik iemand eens onomwonden horen beweren. Dergelijke vergelijkingen met meer aardse genietingen zijn niet erg gangbaar in de kunstwereld en worden vaak afgedaan als te subjectief. Toch denk ik dat de aangehaalde bewering voor een aanzienlijk percentage van de beeldende kunst geldingskracht heeft: je houdt ervan, of je houdt er niet van. Een rationele verklaring is dan moeilijk te geven, hooguit achteraf te construeren.

In het Amsterdamse Stedelijk Museum is nu een overzichtstentoonstelling te zien van Gerard Verdijk, de eerste Nederlandse kunstenaar die door Rudi Fuchs in het Stedelijk naar voren wordt geschoven. Het zal geen bezoeker ontgaan dat het oeuvre van de 59-jarige Verdijk een ingrijpende stijlbreuk vertoont aan het eind van de jaren zeventig. De vraag 'vind ik het mooi of vind ik het niet mooi' dringt zich meteen op bij het bekijken van de kleurige, recente schilderijen, terwijl die zich bij Verdijks systematische tekeningen uit de jaren zeventig vreemd genoeg niet voordoet. Hoe kan dat?

Gerard Verdijk begon omstreeks 1960 te schilderen in een abstract-expressionistische trant waarbij hij in de zwart-witte verf vooral beweging lijkt te willen uitdrukken. Kort hierna verstrakten zijn doeken; in fluor- en lakverf werden letters en vignetten afgedrukt en collages gemaakt die achteraf gezien verwant zijn aan de combine-paintings die de pop-kunstenaar Robert Rauschenberg tezelfdertijd maakte. In 1969 stopte Verdijk ineens met schilderen en deed tien jaar lang niets anders dan tekenen met grafietpotlood. Met zijn streng ogende onderzoeken naar elementaire beeldende principes bewoog hij zich tussen de conceptuele tekenreeksen van Hanne Darboven, Sol LeWitts minimale, monochrome doeken en de opkomende fundamentele schilderkunst.

In een interview uit 1977 omschrijft de kunstenaar zijn werkwijze als 'het aan elkaar afmeten van verschillende structuren'. Verdijk krabbelde bijvoorbeeld een aantal rijen tekens op twee vellen die hij naast elkaar hing; op het ene vel heeft hij de krabbels met een horizontale beweging half uitgegumd, op het andere met een verticale. Hij lichtte indertijd toe hiermee niet alleen vorm en beweging te willen visualiseren, maar ook twee tekeningen te maken die 'precies even goed' zijn. Ook hangen er bladen waarop de regel 'vergeten dat je het vergat' een aantal malen onder elkaar is geschreven. Sommige woorden zijn met verf rood gemaakt of doorgehaald waardoor minimale ritmische kleurpatronen ontstaan.

Deze periode in Verdijks oeuvre dwingt respect af, al zijn de monomane onderzoeken naar vorm en beweging in mijn ogen gedateerd en niet uniek. Terwijl Verdijk in de jaren zestig en zeventig ook in het buitenland werd gewaardeerd om zijn consequente werkwijze en thematiek, lijkt hij het laatste decennium veel minder in de belangstelling te staan. De genoemde stijlbreuk moet daar een belangrijke oorzaak van zijn.

Signatuur

Als hij in 1980 weer begint te schilderen, zet hij zijn onderzoekingen daarin aanvankelijk voort: ook zijn schilderijen zijn sober zwart-wit, de patronen van strepen duiden abstracte begrippen aan als 'evenwicht', 'stilstand' en 'beweging'. Het enige persoonlijke aan deze doeken spreekt uit de met de hand getrokken lijnen waardoor een soort signatuur herkenbaar is.

Maar ineens, omstreeks 1983, doet de kleur haar intrede in Verdijks schilderijen. Die omslag is dramatisch aangezet in de inrichting van de Stedelijk-tentoonstelling. Na de reeks kabinetten waarin de vroege stukken en series tekeningen hangen, bereiken we de hoekzaal van het Stedelijk die licht en ruim is. Een zee van pasteltinten stroomt onverwachts op je toe.

Zalmroze, pistachegroen, violet en hemelsblauw zijn de doeken nu, en al hebben sommige nog 'strenge', naar concept of structuur verwijzende titels als Schrift en schriftuur of Het aanduiden van ruimtelijke verschillen, steeds vaker duiken er poëtische referenties op. Dat spreekt bijvoorbeeld uit de titels Corna della Luna en Op en neer de Styx. Hier ontpopt zich de lyrische Gerard Verdijk die weliswaar nog steeds zorgvuldig waakt over evenwicht, vorm en tegenvorm op het beeldvlak, maar die zich ongegeneerd laat meevoeren door zoetelijke kleuren en vormen van planten en de maansikkel. En hoewel Verdijk de lieflijkheid van zijn kleuren verdedigt door te stellen dat juist zachte tinten in staat zijn vorm en beweging te suggereren, wekken ze bij mij eerder associaties met een bonbondoos.

Een kwestie van smaak, zonder twijfel. Maar een kwestie die zich in het vroegere werk van Verdijk niet aandiende, niet kon aandienen: omdat iedere kleuring, alles wat buiten het rationale viel, door hem angstvallig buiten de deur werd gehouden. Horizontalen en verticalen wekken geen persoonlijke associaties op, dus ook geen kwestie als 'houden van'. Zulke beelden-paren zijn inderdaad 'precies even goed' zoals de kunstenaar ze adequaat omschreef.

In de tekeningen wordt elke persoonlijke voorkeur uitgesloten, de beschouwer heeft alleen de keus om de logica van de kunstenaar te volgen of om zich er van af te wenden. Maar mèt de intrede van kleur en het meer loslaten van strenge structuren heeft zich iets tussen de kunstenaar en ons gewrongen: smaak.

Ik neem direct aan dat Verdijk nog steeds dezelfde thema's als beweging en evenwicht onderzoekt en dat alleen de vorm waarin hij dat doet, is veranderd. Maar wat ik zie, is een kunstenaar die pas laat in zijn loopbaan (misschien onder invloed van de Jonge Italianen) plaats heeft ingeruimd voor lossere vormen, voor symboliek en kleur - en die zo'n esthetisch kleurgevoel blijkt te hebben, dat het zijn werkwijze gaat overvleugelen. Wat vroeger misschien Verdijks kracht was, de balans die hij in zijn stugge potloodstrepen wist aan te brengen, wordt nu, in dat bad van esthetiek, niet alleen decoratief maar ook een beetje saai.

Je mist het tegenstrevende, tegendraadse dat uit die koppige tekeningen sprak: de vastbeslotenheid om niet te willen behagen. Verdijks recente doeken zijn fraai van kleur - maar leeg. Je kijkt ernaar zoals je soms naar een aantrekkelijk lichaam kunt kijken. Mooi, denk je. Alles in proportie, precies op de goede plaats. Maar toch word je er niet warm of koud van.