GRONINGEN

In het artikel 'Stadjers willen markt met grandeur' (NRC Handelsblad, 25 november) schrijft correspondent Karin de Mik over de oprichting op de Grote Markt in Groningen van een hoog gebouw.

Daarin betitelt de woordvoerder L. Hajema van de gemeente Groningen de vele protesten tegen dit plan als een 'achterhoedegevecht', aangevend dat het volgens het gemeentebestuur te laat is voor actie. Zijn standpunt is gebaseerd op de voorkeur van de gemeenteraad (in april 1992) voor het plan Natalini boven de drie andere gepresenteerde plannen, zoals ook slechts 5 à 6 procent van de stemgerechtigde Groninger bevolking heeft gedaan.

Maar het definitieve bouwplan en het voorstel voor de noodzakelijke wijziging van het bestemmingsplan voor het betrokken gebied zijn pas ruim twee maanden geleden in de volgens de wet gebruikelijke procedure aan de bevolking ter beoordeling voorgelegd. Zoals blijkt uit de opmerking van de woordvoerder verzet een groot deel van de bevolking zich tegen de uitvoering van dit plan. Het zou namelijk een tweede opoffering van een beschermd stadsgezicht - na de bouw van een nieuw museum in de zwaaikom van het Verbindingskanaal - betekenen.

De gemeente vindt dit verzet zinloos. Anders gezegd: Bedoelde voorstellen moeten nu eenmaal volgens de wet nog wel aan de bevolking ter beoordeling worden voorgelegd, maar dit is eigenlijk zinloos, want deze zaak is immers al beklonken.

Een duidelijk voorbeeld van onbehoorlijk bestuur. Het spreekt immers vanzelf dat bij de beoordeling van deze voorstellen nog andere aspecten aan de orde komen dan die bij de mening over de gebouwen. En deze zullen bij de volgende procedures over de bezwaar- en beroepsschriften een belangrijke rol spelen.

Vaststaat dat de gapende kloof tussen kiezers en bestuur door dit minachtende standpunt over de protesterende burgers van de gemeente Groningen nog wordt vergroot.