Een verkreukeld maar dapper ventje; Ger Thijs' toneelbewerking van De boeken der kleine zielen

De schrijver en regisseur Ger Thijs bewerkte De boeken der Kleine Zielen van Louis Couperus tot een toneelstuk dat uit twee avondvullende voorstellingen bestaat. Couperus had een duidelijke mededeling te doen, over de kleinheid van het menselijk bedrijf en het verlangen naar een hoger weten. Maar zo'n boodschap vond Thijs misschien te oubollig, in ieder geval is die lijn zo goed als onzichtbaar geworden in het script.

Het Nationale Toneel: Kleine zielen deel 1 & 2. Première 26 december (deel 1 en 2).

Inlichtingen 070-3565363.

De boeken der kleine zielen, vier romans die samen zo'n achthonderd bladzijden beslaan, beschrijven de langzaam afbrokkelende glorie en de toenemende verzenuwing van een Haagse familie in de jaren negentig van de vorige eeuw. Louis Couperus, Hagenaar bij uitstek, geeft er een portret in van 'Holland' zoals hij het zich schrijvend aan de Franse zuidkust voorstelde: een land waar de luchten groots, grijs en laag boven de kleine mensen hangen, waar de wind om de huizen suist en de takken doet zwiepen en breken, waar iedereen steeds nat en bemodderd te bestemder plaatse arriveert. Vier boeken lang is het bijna onafgebroken herfst en winter, vier boeken lang regent en waait het en is het schemerig of bijna geheel donker, zowel buiten als binnen. Deze weersgesteldheid is vanzelfsprekend niet weinig symbolisch, het is alsof de laaghangende lucht de kleinheid van de menselijke besognes nog onderstreept, de wind speelt met de bladeren die opdwarrelen zoals hun levens, de broosheid en niksigheid van hun bestaan zien we ook in die brekende takken, hun beperkte kijk op de wereld wordt benadrukt door de alomheersende duisternis. Het is zaak, voor een kleine ziel, de wind ook eens een beetje binnen te laten waaien, frisse lucht in te ademen, verder te kijken dan de eigen kring en wereld. Om 'te léven', kortom.

Op het toneel is er voor waaien en regenen meestal geen hoofdrol weggelegd. Ger Thijs, toneel- en romanschrijver en regisseur, moest, toen hij besloot om voor Het Nationale Toneel deze achthonderd pagina's romantekst tot een toneelstuk te bewerken, de weersgesteldheid laten voor wat hij was en direct naar de menselijke wederwaardigheden kijken. Tegen het decor van het geliefde en gehate Den Haag van het fin-de-siècle, onder de Hollandse luchten, spelen zich drama's af van haat en nijd en achterklap, van jaloezie en ongelukkige huwelijken, van zenuwziekte en zelfmoord, geldnood en burgerlijkheid, geknakte vrouwen en overnerveuze meisjes.

Minnaar

Spil van dit alles is Constance van der Welcke, geboren Van Lowe, die na twintig jaar weer terugkeert naar haar familie in Den Haag. Veertien jaar geleden was zij het middelpunt van een schandaal, zij bedroog haar oudere echtgenoot, de Nederlandse ambassadeur te Rome, met een veel jongere man en werd ontdekt. Haar minnaar Van der Welcke vroeg haar, daartoe gedwongen door zijn ouders, ten huwelijk, ze kregen een zoon en verbleven jaren in het buitenland. Het boek begint op het moment dat Constance bij haar moeder thuis al haar broers en zusters (zeven in getal) met hun kinderen, haar tantes en ooms, nichten en neven terug zal zien. Vanzelfsprekend vindt iedereen haar eigenlijk nog verschrikkelijk schandelijk, al is men zogenaamd bereid haar alles te vergeven. Gemakkelijk verloopt het dus niet daar in Den Haag. Er verschijnen roddelartikelen in akelige krantjes, zoon Addy wordt gepest, Constances deftigste zuster wil haar liever niet ontvangen op haar 'jour' omdat de hoogste kringen van Den Haag het niet op prijs zullen stellen zich met deze vrouw in één ruimte te bevinden, haar iets jongere zuster ziet scheel van afgunst en snibt op alles wat ze doet en iedereen is al roddelend tegelijkertijd bezig alles stil te houden voor mama Van Lowe en voor de buitenwereld. Echt Haags dus, echt menselijk en echt kleingeestig.

Behalve de commotie rondom Constance is er in de familie Van Lowe zelf ook nog van alles aan de hand. Broer Gerrit lijkt heel gezond maar voelt zich van binnen aangevreten door een beest dat zijn merg uitzuigt, waarom hij uiteindelijk zelfmoord pleegt; broer Ernst hoort overal zielen spreken; broer Paul is een nuf met smetvrees; de dochters van chique zuster Bertha houden ziekelijk van hun broers en verpesten hun eigen huwelijken - het is een wemeling van ziekte en krankzinnigheid. Wie het bloed van de Van Lowes door de aderen vloeit, die maakt weinig kans om een sterk en gezond mens te worden. “O, die Van Lowe's; zij haatte ze eigenlijk allen - zij voelde zich van een ander ras!” denkt de mooie, gezonde vrouw van Constances zoon Addy. “Bah, ze walgde ervan, van die altijd zieke, half-gekke familie van haar schoonmoeder.”

Met deze romans laat Couperus behalve het noodlottig bepaalde van ras, milieu, moment vooral de kleinheid van zo menige menselijke ziel zien. Alleen Addy en, eenmaal wat ouder geworden ook Constance, onttrekken zich daaraan. Voor de rest is men klein, weet dat meestal ook, en houdt zich graag met beuzelarijen bezig waarmee Couperus, zeker in het eerste deel, vrolijk de draak steekt. “Er zijn scènes in het Eerste Boek van Fine en Cateau die mij zelf altijd weer doen grinniken van plezier,” schreef hij aan zijn nichtje. Dat is er aan af te zien. Neem bijvoorbeeld een dwaze passage als de volgende:

-Wat ziet het bruidje rood... hè, Saet... zemá? Dat wit... maakt Emilietje wèl rood...

-Meer geel, zei Van Saetzema.

Ja, zeurde Cateau. Jouw Floortje, hé... Saet... zema... die ziet er... snóezig... uit. In het wit. En wat is Dijkerhof een nette jóngen... Zo een degelijke man. Maar Bertha... wat ziet die bléek...

-Meer groen, zei Van der Welcke, heel ernstig.

Cateau keek op, met de uilenogen.

-Groen? herhaalde zij bedachtzaam. Vind jij... Bertha héus groen... Van der Welcke? Ja... ze is zeker... moe.

-Morgen, dacht Van der Welcke, weet heel Den Haag, dat ik Bertha groen heb gevonden...

Nuffig

Het moeten dergelijke scènes zijn geweest die Ger Thijs het vertrouwen hebben gegeven dat zich in deze roman een toneelstuk schuilhield. In zijn script is de conversatie precies zo terug te vinden, zoals bijna alle gesprekken letterlijk uit het boek overgenomen zijn. Af en toe zijn ze aangevuld met eveneens letterlijk uit het boek overgenomen beschouwingen of beschrijvingen. In het script is vrijwel geen zin te vinden die niet ook bij Couperus staat, compleet met alle Couperiaanse tics, zoals inversies en accenten, geëxalteerde adjectieven en nuffige manieren van zeggen. Couperus schrijft niet: “ik ben door hen op een prachtig bal geweest” maar: “door hen ben ik geweest op een prachtig bal”. Thijs' personages zeggen dat dus ook zo. Dat levert soms zelfs moeilijkheden voor de begrijpelijkheid op. Grote aandacht is bij voorbeeld vereist bij een zin als: “noch tot ons huis, noch tot dat van Karel trekt een band van familie haar aan.” Couperus' stijl is zijn voornaamste aantrekkelijkheid, maar zinnen als deze zijn gespróken nauwelijks voorstelbaar.

Nog moeilijker wordt het als niet dialogen maar gedachten, overwegingen of vertellerscommentaar zonder meer in het toneelstuk terecht komen. Zo zegt een meisje over haar jeugd: “In het luidruchtige, schreeuwerige, vulgaire huis ben ik zachtjes opgeschoten als een bleek plantje, nederigjes weg.” Dat klinkt nogal bespottelijk. Couperus heeft zijn personages dan ook nooit zulke zinnen in de mond gelegd, hij onderscheidt duidelijk tussen de schrijversstem, die zich allerlei krullen kan permitteren, en de directe rede. Bij Thijs is dat onderscheid op veel plaatsen weggevallen - blijkbaar heeft hij, die het stuk ook zelf zal regisseren, er vertrouwen in dat zulke zinnen niet hopeloos vervreemdend zullen werken.

Wat is het drama van De boeken der kleine zielen? Couperus had een duidelijke mededeling te doen, over ècht leven en ècht voelen, over de kleinheid van het menselijk bedrijf en het verlangen naar een hoger weten. Constance denkt op een gegeven moment: “Hoe klein zijn wij allen (-) wat zijn wij kleine mensen en wat hebben wij kleine zielen...Is dat léven? Of...is er iets anders.” Natuurlijk is er iets anders, en haar ontwikkeling bestaat eruit dat zij dat andere leert zien. Niet voor niets heet het laatste deel 'Het heilige weten'. Maar zo'n boodschap vond Thijs misschien te oubollig, of te vaag, in ieder geval is die lijn zo goed als onzichtbaar geworden.

Voor Thijs is zoon Addy, op wie zowel moeder Constance als vader Van der Welcke zwaar leunt, de belangrijkste en meest dramatische figuur. Addy wordt gekneusd in het huwelijk van zijn ouders en zal later zelf de verkeerde vrouw trouwen, om de verkeerde redenen. Thijs heeft er voor gekozen om de eerste drie delen, de Haagse tijd vol ruzie en sterfgevallen, sterk ingekort tot de ene helft van Kleine Zielen 1 te maken en deel vier in zijn eentje Kleine Zielen 2 te laten zijn. Daardoor krijgt Addy, die in deel vier volwassen is en het centrum van de familie, meer nadruk.

De overige familieleden komen op deze manier echter minder uit de verf. De een na de ander holt op, roept iets en verdwijnt weer zonder dat men een idee krijgt van zijn of haar persoonlijkheid, zelfs niet van de plaats die zo iemand in de familie inneemt. Blijkbaar vond Thijs dat niet zo belangrijk, liever liet hij gedoe zien dan individualiteit. Dat is wel te begrijpen, maar toch is het verwarrend dat hij zo veel personages heeft gehandhaafd. In het hele stuk komen er tweeëndertig voor, waarvan toch zeker vijfentwintig al in het eerste deel een rol spelen. Aangezien Constance niet, als in het boek, spil van de handeling is en Addy in het eerste deel een maar heel kleine rol speelt, is dat deel (en een deel duurt een hele avond) centrumloos geworden.

Het is verbazingwekkend zo weinig behoefte als Thijs tentoonspreidt om te moderniseren of te actualiseren. Zijn script zou probleemloos voor honderd jaar oud door kunnen gaan. Daar is wel iets moois aan, om Couperus in zijn eigen taal tot zijn recht te willen laten komen. Maar tegelijkertijd is het vreemd, want het is, althans op papier, niet duidelijk wat Thijs nu eigenlijk met de roman wilde. Meer nadruk op Addy, vooruit, maar wat is zijn vsie op De boeken der kleine zielen, wat doen al die af en aan hollende mensen ertoe, wat is Constance voor iemand, wat is Addy voor iemand, behalve een wat verkreukeld maar dapper ventje?

We wachten de voorstelling maar af, dan kan het nog duidelijk worden. Het script dat Jan Blokker voor de film Eline Vere maakte was interessant en levendig en met een duidelijke visie, maar de film was desondanks niet bepaald goed. Misschien is het omgekeerde, een nog niet met interpretatie gevuld script dat zich ontpopt tot een levendig en interessant toneelstuk, ook mogelijk.