Een reusachtige taart

De mier en de eekhoorn en nog een paar dieren zaten aan de oever van de rivier toen er een reusachtige taart voorbijdreef.

Het was een witte taart, met verdiepingen, er droop room af en overal glinsterden suikerkorrels en blauw glazuur in de zon. Zoete geuren kringelden van de taart af en zweefden naar de oever.

Het was een prachtige taart. Langzaam dreef hij voorbij. De dieren waren allemaal opgestaan en naar de rand van het water gelopen. Sommige klommen op elkaars schouders. Andere zwaaiden naar de taart of juichten hem toe. Achter de taart stak de karper zijn hoofd boven water en zei, buiten adem:

“Onder water is hij nog veel groter! Ik ga gauw weer kijken!”

Hij dook weer onder water.

Ten slotte verdween de taart om de bocht in de rivier. De meeuw vloog hem achterna en vertelde een paar uur later dat de taart naar zee was gedreven en achter de horizon de oceaan opvoer.

“Wie zou die taart eigenlijk hebben gemaakt?” vroeg de eekhoorn.

“Die taart is niet gemaakt”, zei de mier. “Zo'n taart ontstaat.”

“Ontstaat?” vroeg de eekhoorn.

“Ja”, zei de mier. “Sommige dingen ontstaan.”

“Hoe is hij dan ontstaan?” vroeg de eekhoorn.

“Zomaar”, zei de mier, terwijl hij met gefronst voorhoofd van zijn ene voet op zijn andere sprong.

Zomaar, dacht de eekhoorn, wat is zomaar ook maar weer...

Maar de mier stak plotseling zijn hoofd in de grond, zodat de eekhoorn hem niets meer kon vragen.

Niet lang daarna ging iedereen naar huis.

De eekhoorn liep door het bos en dacht na over zomaar en wat er zomaar zou kunnen ontstaan. Zouden beukenoten zomaar kunnen ontstaan? dacht hij. En verjaardagen? En de verte?

Hij keek heel ernstig en wist de antwoorden op zijn vragen niet.

Die avond, in bed, keek hij naar zijn plafond en dacht diep na. Het was bijna helemaal donker en plotseling zag hij daar een enorme pot beukenotenhoning ontstaan, die langs het plafond zweefde en precies boven zijn hoofd zich op zijn kop draaide en de honing in zijn mond liet stromen.

Maar hij kon net niet proeven of het lekkere honing was, want op dat moment sliep hij in. Ach, wat jammer, dacht hij nog, ergens, in het begin van zijn slaap.