Een groots en meeslepend directeur; Waarom museum Boymans-van Beuningen Jan Hoet nodig heeft

De gemeente Rotterdam is er nog steeds niet in geslaagd een directeur voor museum Boymans-van Beuningen te vinden. Het museum stond de afgelopen zeven jaar onder het bewind van een kundig manager, Wim Crouwel. De positieve effecten daarvan betroffen vooral de interne reorganisatie. Maar Crouwels beleid betekende ook dat het museum als tentoonstellingsinstituut zijn eigen gezicht verloor, met name op het gebied van de moderne kunst - juist het gebied waar het eerder zijn aantrekkingskracht aan ontleende.

Museum Boymans heeft daarom juist nu een directeur nodig die zich hartstochtelijk engageert met de hedendaagse kunst. We weten allen dat er zo iemand is, en dat hij beschikbaar is. Die persoon is Jan Hoet. Als er iemand is die anderen kan inspireren, dan is hij het wel. Het dédain waarmee nog al te vaak over hem gesproken wordt, is misplaatst. Hoet is bezield door de hedendaagse kunst, en weet die bezieling over te brengen op beeldend kunstenaars en op zijn publiek. Hij dwingt het tot contact met het kunstwerk, en tot het zelf op zoek gaan naar mogelijke betekenissen. Zijn loyaliteit ligt bij hetgeen nog niet is uitgekristalliseerd, en dus nog niet algemeen aanvaard als belangrijk of toonaangevend. Hoet heeft zich niet verbonden met de kunstenaars van zijn eigen generatie, maar blijft steeds op zoek naar het onbekende. Hij vatte zijn kunstbegrip ooit samen met het begrip 'negatie': 'we moeten steeds opnieuw onze ingebakken manier van naar kunst kijken ontkennen'. Hoet heeft gelijk: alleen door altijd opnieuw bereid te zijn je oogkleppen af te laten zetten is het mogelijk betrokken te blijven bij de eigentijdse kunst. Op zijn Documenta (1992) toonde hij dan ook naast bekendere kunstenaars talloze jonge mensen, onder wie Thom Merrick, Pekka Nevalainen en Jean-Michel Othoniel, die nog nauwelijks eerder hadden geëxposeerd,

Hoet is hierin heel consequent. Zo wil hij nu niet in Gent een grote Beuys-tentoonstelling organiseren, terwijl hij daartoe over enkele belangrijke werken en over de contacten beschikt. Zo'n expositie zou veel publiek opleveren, terwijl zijn omvangrijke Beuys-presentatie in 1977 (!) maar een handjevol bezoekers trok. In zijn museum gaat dit weekend een expositie open met werk van vijf vrouwen, van wie er twee geheel onbekend zijn. Ook maakte Hoet in Gent geen publiekstrekkers met de coryfeeën van zijn eigen Documenta. Presentaties van internationaal bekende kunstenaars passen niet bij de 'embryonale Belgische kunst-situatie', aldus Hoet. Dat er in België nog steeds geen volwassen kunstklimaat bestaat, met volwaardige musea en een levendig galeriecircuit, is volgens Hoet te wijten aan de laksheid van de politieke bestuurders.

Spookbestaan

Het verhaal van het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst is bekend. Het leidt sinds de oprichting in 1975 een spookbestaan in de achterzalen van het Museum voor Schone Kunsten. Sinds 1977 is de nu 56-jarige Hoet hier conservator. Hij beschikt over 16 vaste medewerkers. Zijn aankoopbudget, verstrekt door de stad, varieerde van 35.000 gulden in de beginjaren tot een huidig gemiddelde van 70.000 gulden. Ter vergelijking: het aankoopbudget van het Stedelijk Museum in Amsterdam bedraagt 2 miljoen. Maar Hoet wist Belgische verzamelaars en anderen te enthousiasmeren en samen te brengen in de Vereniging van Vrienden van het museum, zodat zijn jaarlijks aankoopbudget nu structureel is aangevuld met sponsorgelden die het vijfvoudige van zijn budget bedragen.

Hoet bracht met deze beperkte middelen een omvangrijke collectie bijeen waarin zich onder andere belangrijke werken bevinden van Nauman, Merz, Kounellis, Daniëls, en niet te vergeten Panamarenko. Vrijwel al deze werken kocht hij vroeg en dus goedkoop. Wirtschafswerte van Beuys slokte in 1977 zijn hele budget van 35.000 gulden op (nu wordt het geschat op 1,5 miljoen), evenals zijn eerste aankoop in 1976, een vliegtuig van Panamarenko, waarvan Hoet vond dat het museum er eigenlijk al heel laat mee was (waarde nu ca. 500.000 gulden).

Chaoot

Voor zover ik begrijp is Rotterdam beducht voor de 'chaoot' die Hoet zou zijn. Het is het belangijkste argument van zijn tegenstanders: Hoet is een chaoot. Inderdaad, Hoet laat zich met grote regelmaat dusdanig vervoeren dat er van een samenhangend verhaal geen sprake meer is. Maar even zovele keren blijkt hij wel degelijk in staat te zijn tot een steekhoudend en meeslepend betoog.

Andersom is een helder en diplomatiek verhaal ook geen garantie voor een geordend museum. Laten we even bedenken hoe Fuchs het Haags Gemeentemuseum heeft achtergelaten. Belangrijker is de vraag of Hoets beleid tot dusverre chaotisch is gebleken. Het antwoord is: nee. In Gent heerst geen chaos veroorzaakt door Hoet. Evenmin bleek iets van chaos bij de organisatie van de Documenta, of bij andere spraakmakende tentoonstellingen als 'Chambres d'Amis' (1986) en 'Europa na '68' (1980). Wat niet wil zeggen dat al zijn exposities even geslaagd zijn. Zijn intuïtieve, emotionele aanpak veroorzaakt ook missers, zoals 'Rendez-vous' eerder dit jaar. Hoet vroeg Gentenaren om voorwerpen waar ze een speciale band mee hadden in te leveren opdat vier kunstenaars daar eigen installaties van konden maken. Het resultaat was een droevig stemmend samenraapsel.

Maar wat is nu eigenlijk een groter risico voor Rotterdam? Een chaotisch en roerig museum, of een goed geolied en saai instituut dat, naar al blijkt, steeds minder bezoekers trekt?

De advertentie voor de directeurspost zoals die maanden geleden in de bladen verscheen was een primeur: niet eerder werd zó sterk de nadruk gelegd op managementskwaliteiten. De directeur van Boymans zou zich als voorzitter van de Dienst Gemeentelijke Musea in eerste instantie moeten bezighouden met 'de herijking van historisch gegroeide profielen van de individuele musea, collecties en locaties', dat wil zeggen de profielen van ándere musea als het Maritiem Museum en het Museum voor Volkenkunde. Rotterdam is blijkbaar op zoek naar een organisatorische duizendpoot, met als hobby beeldende kunst.

Bij een dergelijke directeur kan de hedendaagse kunst nooit gebaat zijn. Bovendien lijkt dit type directeur niet te passen bij het beleid dat de stad sinds 1988 gevoerd heeft en zoals het opnieuw geformuleerd is in het Kunstenplan 1993-1996. Rotterdam wil zichzelf als 'beeldende-kunst stad in beeld brengen', aldus een notitie van de gemeente uit 1988. Het bleef niet bij woorden alleen. In enkele jaren verschenen het kunstcentrum Witte de With, het Fotoarchief, de Kunsthal en de zogenaamde Stadscollectie, een verzameling moderne Rotterdame kunst met het accent op het heden, aan te leggen door een speciale stadsconservator. Het Architectuurinstituut hoort als onderdeel van het Museumkwartier ook in dit rijtje thuis.

Galeries

Tegelijkertijd werd een actief galerie-beleid ontwikkeld. Als enige stad in Nederland bood Rotterdam aan nieuwe galeries een vestigingssubsidie en een exploitatiesubsidie (samen ongeveer 30.000 gulden). Inderdaad kwamen er nieuwe galeries; de stad heeft er nu ongeveer dertig. De meeste bevinden zich in de nabijheid van de 'culturele as' van het Centraal Station tot aan Boymans en Witte de With.

Maar met de galeries verloopt het niet zo spoedig als was gehoopt. Kenmerkend is dat belangrijke Rotterdamse beeldende kunstenaars als Daan van Golden, Lidwien van de Ven, Joep van Lieshout en Willem Oorebeek een galerie hebben in Amsterdam, en niet in hun eigen stad. Art & Project sloot onlangs haar dependance naast Boymans. Ook van andere galeries - Snoei, Van Krimpen - is het voortbestaan in Rotterdam onzeker.

Een beeldende-kunst stad kun je natuurlijk niet één twee drie uit de grond stampen. Niet de subsidies, maar de personen die men weet aan te trekken zullen uiteindelijk de doorslag geven. Dit is ook het probleem met de Kunsthal. De stad heeft weliswaar een geruchtmakend gebouw neergezet, maar men weet er tot op heden geen inhoud aan te geven. Het beleid staat of valt met mensen met ideeën. Witte de With, onder leiding van Chris Dercon, is een voorbeeld van hoe het wel moet. Maar museum Boymans is het aangewezen instituut om bij dit alles het voortouw te nemen. Waar een levendig museum is, daar zijn vanzelfsprekend ook galeries, kunstenaarsinitiatieven en beeldend kunstenaars.

In Gent stond een zelfstandig Museum van Hedendaagse Kunst bijna twintig jaar lang als vast punt op de agenda van de gemeenteraad. Dankzij de kleinzieligheid van de Vlaamse en Gentse politiek ziet het er nu naar uit dat zo'n museum er voorlopig niet zal komen. Rotterdam daarentegen heeft veel geïnvesteerd in het imago van beeldende-kunst stad. Wanneer het Boymans de nieuwste ontwikkelingen in de kunst links laat liggen, is de kans groot dat een belangrijk deel van die investeringen, om te beginnen met de Kunsthal, voor niets was. En juist nu al de andere grote musea zich, mede ingegeven door het Deltaplan, terugtrekken binnen hun eigen stellingen, zou het Boymans een voortrekkersrol kunnen spelen. Daarvoor heeft het Hoet nodig.