De weldoordachte monotonie van de jaren-vijftigarchitectuur; Notenbalken zonder muziek

'Te massaal, te monotoon en zelfs inhumaan' luidt het oordeel over de woningbouw uit de jaren vijftig. Maar op een tentoonstelling in de Beurs van Berlage wordt duidelijk dat veel jonge architecten met beperkte budgetten verrassende resultaten wisten te behalen. Drie architecten over hun rol in de wederopbouw. “Bezuinigen leidt vaak tot een zuivering.”

Tentoonstelling: Jonge architecten in de wederopbouw 1940-1960. T/m 24 januari 1994 in de Beurs van Berlage, Amsterdam. Geopend: alle dagen, behalve Nieuwjaarsdag 11-17 uur.

“Het was de tijd van hard werken en saamhorigheid. Iedereen had het gevoel dat er een ramp was gebeurd die we met z'n allen te boven moesten komen.” Zo omschrijft architect Leo de Jonge (1919) de jaren vijftig, de tijd van de wederopbouw, toen heel Nederland werd volgeplant met nieuwe woonwijken. Ook De Jonge bouwde toen duizenden woningen, in Rotterdam, Den Haag en andere steden. Een paar daarvan zijn nu op foto's en tekeningen te zien op de tentoonstelling Jonge architecten in de Wederopbouw 1940- 1960 in de Beurs van Berlage in Amsterdam.

Niet bekend

“In die tijd begon de heerschappij van het Nieuwe Bouwen,” vertelt Leo de Jonge nu. “Ruimte, licht, wit en gebouwen op poten - dat was een logische reactie op de duistere oorlogsjaren. Bovendien paste het Nieuwe Bouwen uitstekend bij het calvinisme: het is helder, eerlijk, functioneel en dienstbaar.”

Kees de Cler (1916), die als rijksambtenaar nauw was betrokken bij de wederopbouwplannen, geeft nog een andere reden voor de sterke naoorlogse opkomst van het Nieuwe Bouwen, dat voor 1940 weliswaar veel publiciteit wist op te wekken maar slechts een aandeel van een paar procent in de totale bouwproduktie had. “Voor de oorlog bemoeide de rijksoverheid zich nauwelijks met woningbouw, maar na de bevrijding nam die het op zich om te zorgen voor grote hoeveelheden betaalbare woningen die aan minimumeisen voldeden. Het was duidelijk dat dit niet kon zonder industrialisatie van de bouw en prefab-elementen. Voor de Nieuwe Bouwers was dit geen probleem, integendeel, zij waren er van oudsher grote voorstanders van. Zij geloofden in de ontwikkeling van de industriële maatschappij. Maar een traditionalist als de tot het katholicisme bekeerde Granpré Molière zag daarin een vorm van het kwaad.”

Monotonie

Een van de gevaren van de geïndustrialiseerde bouw is de eenvormigheid. “Ik schrok toen ik het ontwerp van Pendrecht zag,” zegt Leo de Jonge over de Rotterdamse wijk die werd ontworpen door Lotte Stam-Beese. “Er zit geen begin en geen einde aan, er zijn geen herkenningspunten. Één patroon, dat zich eindeloos herhaalt langs kaarsrechte wegen. Het was geschikt om met de auto doorheen te rijden, maar je kon je niet voorstellen dat je langs die lange straten met je kind zou gaan wandelen. Pendrecht is notenbalken zonder muziek. Ik protesteerde nog zwakjes bij Lotte Stam-Beese, maar in die tijd hadden de stedebouwkundigen het voor het zeggen. Bovendien was ze een echte Duitse die zich niets vertellen liet.

“In de jaren vijftig is ook een begin gemaakt met wat ik noem 'de uiteengelegde wereld'. De overheid wil mensen helpen aan een goed huis en stelt daarom subsidies in, gebonden aan bepaalde woningtypen die moeten voldoen aan de 'Wenken en Voorschriften'. Om alles te kunnen administreren en subsidiëren wordt de bevolking gesplitst in allerlei categorieën: alleenstaanden worden van gezinnen gescheiden, bejaarden van jongeren, werkende jongeren van studenten en zieken van gezonden. In de nieuwe wijken ontstonden mono-culturen, grote eenheden voor doorsnee gezinnen met doorsnee inkomens. Geen kleine huishoudens, geen grote gezinnen en geen 'gegoeden' - die kwamen allemaal in aparte delen terecht.”

Kees de Cler ontkent niet dat de wederopbouwarchitectuur wordt gekenmerkt door een zekere monotonie. “Maar ik ontken dat het gedachteloos is gebeurd; het is weldoordachte monotonie. Ik beweer altijd dat er nergens anders met meer vasthoudendheid en intelligentie is gedacht over stedebouw en architectuur dan in Nederland. Er is de architecten en stedebouwkundigen vaak een gebrek aan liefde voor het vak en idealisme verweten. Maar niets is minder waar. In en na de oorlog is er meer dan ooit getheoretiseerd. De wijkgedachte die daaruit voortkwam, met de wooneenheid als structurerende eenheid, was niet onzinnig en het duidelijk onderscheiden van bepaalde woonvormen als geschikt voor bepaalde bewoners was ook geen onzin maar juist heel rationeel.

“Veel architecten klaagden over de talloze voorschriften die er bestonden voor de woningbouw. Ze wilden een eenvoudig stelsel, maar dat werkt als een botte bijl en doet altijd zo'n twintig procent van de mensen onrecht. Wie rechtvaardigheid wil, ontkomt niet aan ingewikkelde regels - dat zie je bijvoorbeeld ook in de sociale wetgeving. Dat leidt tot een soort mandarijnendom van mensen die het stelsel kennen en beheersen. Wie het niet voldoende doorziet, ervaart het als hinderlijk.”

Bossche School

De Amsterdamse architect Adriaan Evers (1914) van het bureau Evers en Sarlemijn heeft de beruchte Wenken en Voorschriften nooit als knellend ervaren: “Als alibi voor hun saaiheid wezen veel architecten vaak op de Wenken en Voorschriften en het gebrek aan geld. Dat is allemaal zo'n geleuter. Die voorschriften vormden een sociaal minimum, je kon maken wat je wilde als je dat maar hanteerde. Ze zijn precies hetzelfde als de toonladders die een pianist moet kennen, dat is je techniek. Meestal viel een ontwerp wel te duur uit en dan moest je bezuinigen. Maar het vreemde is dat bezuinigen vaak leidt tot een zuivering. Het ontwerp wordt er vaak niet slechter van, maar helderder. Soms kan een ontwerp nog directer, nog essentiëler worden, maar kom je daar pas toe onder druk van de bezuinigingen.”

Het werk van het bureau Evers en Sarlemijn laat als beste zien dat monotonie niet een onontkoombaar gevolg was van de organisatie van de bouw in de jaren vijftig. Hun woningen in Nijmegen, Gorinchem en Breda hebben een verstilde monumentaliteit en hun kerken staan ver af van de gebruikelijke jaren-vijftig-zakelijkheid: de kerk aan de Kometensingel in Amsterdam-Noord lijkt een vroeg-christelijke kerk getransplanteerd uit Noord-Italië. Volgens Evers had de strijd tussen het traditionalisme en het Nieuwe Bouwen na de oorlog zijn felheid verloren: “De onderlinge verkettering vond plaats voor de oorlog. Toen gooiden de schrijvers van de tijdschriften de 8 & Opbouw en van het Rooms Katholiek Bouwblad met modder naar elkaar. Maar in de oorlog is dat conflict tot rust gekomen. Toen kregen veel architecten het gevoel dat men zich moest voorbereiden op de tijd na de Duitsers, en dat onderlinge strijd daar niet bij kon worden gebruikt. Traditionalisten en Nieuwe Bouwers staken de koppen bij elkaar en organiseerden in 1942 een bijeenkomst voor jonge, nog studerende architecten. Merkelbach was er bijvoorbeeld, en Granpré Molière en bijna alle architecten die nu op de tentoonstelling zijn vertegenwoordigd.

“Na de oorlog laaide het conflict niet op, daar had iedereen het toen veel te druk voor. De ene week presenteerde je een plan voor honderd woningen aan een burgemeester, een week later moesten de bestektekeningen klaar zijn. Maar de scheiding der geesten bleef wel bestaan.” Over zijn eigen werk zegt Evers nu: “Aanvankelijk stond het in het teken van de Delftse School van Granpré Molière, later werd de invloed van dom Van der Laan en de Bossche School groter. Aan het einde van de jaren vijftig is onze stijl strakker geworden en steeds meer ontdaan van overbodigheden, maar ons bureau heeft altijd een eigen, karakteristiek handschrift gehad. Je kunt het mooi vinden of niet, maar saai was het nooit.”