De oude poes, de veel geaaide.

Wil je me wat beloven, lieve oude poes?

Zal je nooit doodgaan?

Nooit, nooit? Alsjeblieft? Lief kind, dat kan ik niet beloven.

Maar als je me niet meer kunt vinden,

Nergens, nergens meer, waar je ook zoekt, Dan zul je me terugzien in je dromen.

Niet vaak, hoe graag je ook wilt,

Maar soms, soms, even in de verte. Wanneer je naar de tuin kijkt in de regen,

Dan zul je weer weten hoe ik voor het raam zat,

En denken: ja, ja, zo zat hij altijd. En als het weer zo waait, buiten,

Dan zal je me soms horen, ergens in huis,

En dan zul je zeggen: ja, ja, zo was zijn stem. Zal je dan niet treurig zijn?

Herinner je hoe je mijn hart voelde kloppen

Wanneer je mij de trap af droeg.