De kruisjes gaven hun bestaan betekenis

HINDELOOPEN, 17 DEC. Herinneringen zijn soms als wijn of waardepapieren. Ze gedijen als je ze maar lang genoeg laat liggen. Een voorval maakt furore.

Zestig jaar geleden heeft niemand acht op haar geslagen. Ook al deed ze mee aan de Elfstedentocht. Ook al was ze één van de elf vrouwen in een veld van 566 schaatsers. Ze kan zich niet herinneren dat ze anders werd behandeld dan de mannen. Zeker niet door haar metgezellen: haar verloofde en haar vader. Ook niet door de mensen langs de kant.

Als er al publiek stond. “Want tegenwoordig is elke tocht een nationale happening.” Mevrouw K. Rutgers-Dam, inmiddels 84, kijkt triomfantelijk om zich heen. Maar in 1933 mocht je al blij zijn als je supporters bij de controleposten trof. En niks geen feest na afloop. “Een stempel. Dan kon je vertrekken. Dat vonden wij gewoon.”

Niemand vond het bijzonder wat ze gedaan had. Niemand feliciteerde haar met die prestatie, ook niet in haar directe omgeving. Dat ze een vrouw was leek geen rol te spelen. Ze koketteert met levendige blauwe ogen, die kleuren bij haar geruite mantelpakje. “Ik was niks aparts.”

Zelf hechtte ze aan haar verrichting indertijd ook weinig waarde. “Een uitstapje.” “Helemaal niet zwaar”. En: “heel gezellig.” Pas later, zegt ze, ging ze die Elfstedentocht belangrijk vinden. Dat was toen Nederland de Elfstedentocht belangrijk begon te vinden. Naarmate haar prestatie verbleekte, groeiden aandacht en erkenning. 'Niks aparts' werd met terugwerkende kracht tot 'iets bijzonders' opgewaardeerd.

Ze zeggen dat oude mensen de betrekkelijkheid van hun streven inzien. De ijdelheid van hun ambities kennen. Het ego overstijgen. Voorbij de waan van het moment.

Ouwemannengezever. Grenzeloze grootspraak. Als drenkelingen aan wrakhout klampen ze zich vast aan hun aardse verrichtingen die ze vergroten tot mythische proporties. Zo wordt elke schaatstocht tot een Odyssee.

De dertig schaatsers die in het Eerste Friese Schaatsmuseum, verschanst in Hindeloopen, verschijnen voor de reünie van de vijfde Elfstedentocht, op 16 december 1933 verreden, dragen hun kruisjes als eretekens: bewijs dat ze de tocht aller tochten hadden uitgereden. Alsof die hun bestaan betekenis geven. Niet voor niets geleefd.

Bij het maken van de groepsfoto - een staatsieportret met als decor een winterlandschap - verdringen ze elkaar om op de eerste rij te staan. Rijdend in een rolstoel, steunend op krukken, schuifelend en slepend met kromgetrokken ruggen. Zich koesterend in het flitslicht van de fotografen, die er zestig jaar geleden niet met zoveel hebben gestaan.

In het midden de twee winnaars: Abe de Vries en Sipke Castelein. Twee winnaars omdat ze hadden afgesproken dat ze samen over de streep zouden gaan. Dat die opzet mislukte was alleen te wijten aan een misverstand. Ze dachten dat de laatste controlepost als finish gold. Maar iemand had zo maar ergens op de Leeuwarder Stadsgracht een eindstreep getrokken. Onwetend, zonder te versnellen, zonder te spurten, passeerde Abe de Vries die als eerste. Aan hem dus de zege die hij nooit gewild had, die hem niet toekwam, zoals hij 's avonds stamelde bij de ereplechtigheid. Waarna de organisatie alsnog besloot ook Castelein tot winnaar uit te roepen. “Omdat het verschil nauwelijks waarneembaar was.”

De Vries, moe van het gesol, rust met een verzaligde glimlach in zijn rolstoel. Vlak daarachter Castelein, zoals ook zestig jaar geleden. Daarnaast mevrouw Rutgers-Dam die iedereen aanspreekt, maar niemand zegt te herkennen. Ze vertelt over de Elfstedentocht van 1929 die ze ook is begonnen, als een van de vijf vrouwen, maar nooit heeft uitgereden. Zo bar en koud. In Staveren al laat gearriveerd. Daarna nog fout gereden. Haar vader die een taxi liet bellen. Zijn woorden: “Als je er wat van overhoudt, vind ik mijn hele leven geen rust.”

Wat een verschil met die toertocht van '33. De enige Elfstedentocht die voor Nieuwjaar is gehouden. Temperatuur om het vriespunt. Nauwelijks wind. De schaatsers zwierden zo voortvarend, dat de controlepost in Workum nog niet bemand was toen de eersten arriveerden. Of de post in Staveren. Of de post in Harlingen. Daarover lopen de meningen zestig jaar na dato nog hevig uiteen.

Castelein vertelt tegen iedereen die het horen wil, dat hij begin van dit jaar nog op natuurijs heeft gereden. De Vries verklapt eindelijk het geheim van zijn zege. Hij had zijn voeten goed gewassen. In tegenstelling tot de meeste van zijn concurrenten die “met zweetpoten in hun sokken gingen”. Anderen maakten de onvergeeflijke fout hun voeten in te vetten. Fout natuurlijk, want dan kan het zweet niet lekken. Nee, dan wist De Vries wel beter. Met babypoeder had hij zijn voeten “ingetalkt.”

Hendriksma uit Sneek onthult dat hij vijf minuten voor de start al was vertrokken. Hij had gevraagd of hij even onder het starttouw door mocht. Om kwijt te raken wat hem dwars zat. Verlate biecht of lefpraat? “Ze hebben me nooit meer teruggezien.” “Diskwalificeren” roepen ze vanachter in de zaal. De Friese drank maakt tongen losser.

“Een dag om nooit te vergeten”, geniet een reünist in trui. Zijn buurman mompelt somber: “Zolang je nog onthouden kunt.”