De anti-sterren: Loes Wouterson; Mijn spel is persoonlijk, niet prive

De actrice Loes Wouterson heeft de faam lastig te zijn. “Een regisseur moet mij kunnen uitleggen hoe een rol in elkaar zit. Weigert hij dat, dan ben ik niet bang om ruzie te maken.” Maar ze wil niet per definitie in de slag met regisseurs. Tweede aflevering van een serie interviews met een jonge generatie acteurs die geen ster willen zijn.

Loes Wouterson is komend voorjaar te zien in 'In Kolonos' van Hugo Claus. Première februari in De Toneelschuur in Haarlem. Tryouts vanaf 7/2.

Toen de cineast Jean van de Velde een van de hoofdrollen in zijn film De kleine blonde dood aan de actrice Loes Wouterson toe had gedacht, werd hij gewaarschuwd: ze is lastig. Loes Wouterson (1963) reageert laconiek. Die reputatie dankt ze aan de moeilijkheden met een filmrol die ze eerder speelde, in De drie beste dingen in het leven van Ger Poppelaars: “Mijn personage was volslagen onlogisch in de weer, daar kon ik het niet bij laten zitten.” Niet dat ze per definitie in de slag gaat met een regisseur. De jagersvrouw in De Noorderlingen modelleerde ze nauwgezet naar de wensen van regisseur Alex van Warmerdam: “Voor de beleefdheid laat Alex je even je gang gaan, maar vervolgens regisseert hij je tot en met je vingertoppen. Van psychologiseren houdt hij niet, de types in zijn films zijn onderdeel van zijn associaties. Dat respecteer ik en ik doe mijn best om hem met mijn fantasie te volgen. Soms lukt dat. Bij een omhelzing met de jager knorde ik als een varkentje en ook liet ik een keer vanonder mijn jurk mijn onderbroek op mijn enkels vallen. Ja, ja, doe dát! zei hij toen.”

Als op iemand het begrip 'anti-ster' van toepassing is, dan is het Loes Wouterson. Ze profileerde zich tot nu toe vooral met haar filmrollen, maar ze speelt met even grote hartstocht toneel. Net als veel collega's van haar generatie duikt ze zo diep als mogelijk onder in haar personages. Aan hun zal ze haar persoonlijkheid uitleveren, nooit zal ze hun een imago opleggen, het eigen ego of sterallures. Ze kreeg een Gouden Kalf voor haar rol in de televisieserie Bij nader inzien (1991), en toch zegt de term glamour haar niets: “Je pakt je prijs aan, je stapt naast het podium, flits, foto, en dat was het dan.” Niet haar naam of faam telt, het gaat om het stuk, om de film, om haar rol temidden van die van de anderen. En kom bij haar niet aan met halve argumenten:

,Een regisseur moet mij kunnen uitleggen hoe een rol in elkaar zit. Weigert hij dat, dan ben ik niet bang om ruzie te maken. Ik ben eigenwijs en ik wil alles wat ik doe in verband brengen met hoe het voelt. Dat laat ik me niet afpakken. Als ik niet vecht voor zo'n rol, waarom zou ik er dan aan beginnen? De zin van mijn bestaan ligt in mijn werk en die zin kan ik toch niet de twee maanden dat ik met zo'n film bezig ben opschorten?''

Met Jean van de Velde klikte het. Wouterson koesterde bezwaren tegen de rol (opdringerige minnares, ontaarde moeder, dronkelap) die ze in De kleine blonde dood moest spelen, Van de Velde begreep wat ze bedoelde en gaf haar de ruimte om haar personage meer inhoud te geven. “Ik vond: of je beperkt haar rol en je reduceert haar tot pure bitch of je gunt haar ruimte en je doet een gooi naar begrip voor haar.” Dat lukte niet. Anders dan bij De drie beste dingen in het leven, waar Woutersons spel redde wat er te redden viel, bleef in deze film haar personage vooral een onsympathieke slons: “Ik heb me verkeken op mijn invloed. Sta ik op het toneel dan heb ik mijn personage aardig in de hand en ook op een filmset kan ik de opbouw van mijn rol redelijk bepalen. Maar daarna wordt een film gemonteerd. Als er scènes worden omgewisseld of geschrapt, heb ik de kans niet meer om voor mijn rol op te komen en kan mijn opzet verloren gaan.”

Overdreven

Woutersons eerste filmrol, de mysterieuze Henriette in Bij nader inzien van Frans Weisz, was gebaseerd op een bestaande vrouw. Dat idee schrikte haar niet af, integendeel: “Het gaf me veel steun. Voskuil beschreef in zijn roman niet haar motieven, want die kende hij niet, maar wel uitvoerig haar gedrag. Die passages heb ik goed bestudeerd. Henriette is iemand die zich wonderlijk beweegt, om niet te zeggen grotesk. Ik dacht, hij heeft haar zo rond zien lopen, waarom zou ik haar dan niet zo spelen? Overdreven? Kijk naar buiten en je ziet een arsenaal motoriek gestoorden voorbijkomen dat je in je wildste dromen niet kunt verzinnen. Wie heel erg bleu is, controleert zijn bewegingen slecht. Ik doe ook rare dingen als ik verlegen ben: dan schat ik de afstand tot mijn kopje verkeerd en giet ik thee naast mijn mond; of ik prik met een gebaksvorkje in mijn lip.”

Verlegenheid is een allesoverheersende karaktertrek van Loes Wouterson: “Als ik me onzichtbaar had kunnen maken, dan had ik dat veelvuldig gedaan” Haar drang om te acteren komt voort uit haar introverte natuur, verklaart ze: “Als klein kind al verbleef ik het liefst in een innerlijke wereld en dat doe ik nog steeds. Alles wat ik zie, alles wat ik meemaak, alles wat ik meebeleef, neem ik op. Dat moet zich weer ontladen en ik kan het kwijt in het acteren. Dat deed ik als kind al zo. Had ik ruzie gekregen, dan speelde ik die ruzie drie keer, vier keer na, net zo lang tot hij weg was. Ik leen gegevens van mijzelf uit aan mijn rollen. Dat maakt een intuïtieve speler van mij, maar het houdt niet in dat ik op het toneel dezelfde ben als in het dagelijks leven. Ik put uit eigen ervaringen en fantasieën, of die echt zijn of niet doet er niet toe. Mijn spel is persoonlijk, niet privé. Moet ik huilen voor een rol, dan huil ik oprecht, maar niet om mijn dooie konijn.”

Na drie jaar vergeefs auditie te hebben gedaan bij toneelscholen in het hele land, werd Loes Wouterson in 1984 in Arnhem aangenomen. Steeds afgewezen worden was onaangenaam maar het ontmoedigde haar niet. Ze wist dat ze kon acteren, zegt ze. Hoe ze dat wist? “Gevoelsmatig. Ik wist het omdat ik het wist. Ik heb ook wel eens ingegrepen bij een hoog oplopende ruzie in een restaurant. Daar was ik niet voor opgeleid, maar toch wist ik dat ik het overzag en dat ik er iets aan kon doen. En ik had gelijk.”

Opvallen

In Arnhem werd haar in de eerste plaats bijgebracht om haar authenticiteit te bewaken, tot ergernis van bijvoorbeeld Erik Vos, bij wiens gezelschap De Appel Wouterson haar eerste rollen speelde. “Acteurs en regisseurs van eerdere generaties vinden de opleidingen van nu waardeloos. Je leert er niet eens meer accentvrij spreken of een grote zaal bespelen, zeggen ze. Zij hebben gemakkelijk praten. Wie in hun tijd van de toneelschool kwam, kreeg moeiteloos een engagement bij een van de gezelschappen en daar leerde hij het vak pas grondig. Je dacht toch niet dat zij alles wat ze kunnen al op school hadden opgestoken? Wie nu begint, heeft meer aan een ontwikkelde podiumpersoonlijkheid dan aan een vlekkeloze articulatie, want er is geen gezelschap dat staat te juichen bij jouw afstuderen en het is zaak om hoe dan ook op te vallen.”

Wouterson draaide één seizoen mee bij De Appel. Het jaar daarop ging ze er weg. “Ik was snel uitgekeken op rollen die weinig meer waren dan opvulling van de stukken. Ik wilde leren. En dat wil ik nog steeds, daarom heb ik me nooit vast verbonden aan een groep.”

Wie wil leren heeft vrijheid nodig, en Wouterson neemt die vrijheid te baat om te kiezen voor een grillige carrière. “Ik kan best een minder stuk verdragen als er een interessante regisseur tegenover staat. Ik heb een rol in Penthesilea van Kleist geaccepteerd nog voor ik het stuk uitgelezen had en zelfs zonder dat ik wist wat ik zou moeten spelen. Maar ik wilde graag met Gerardjan Rijnders werken, ik wilde meemaken hoe het is als een regisseur helemaal geen aanwijzingen geeft en zijn acteurs alles zelf uit laat zoeken. Het spreekt vanzelf dat ik als Ophelia aan Hamlet meedeed omdat het een mythische rol is, maar ik zei ook ja, omdat ik had gezien hoe regisseur Ivo van Hove met extremen speelt en omdat hij juist een acteursregisseur bij uitstek is. Dat ik begin volgend jaar in In Kolonos van Hugo Claus zit, komt weer doordat ik het stuk zo mooi vind. Het toont Oedipus op zijn sterfbed en regisseuse Charlotte Riem Vis heeft me gevraagd om zijn drie kinderen gestalte te geven: Antigone, Ismene en Polineikes. Ik heb al zitten fantaseren. Oedipus trouwde met zijn moeder en biologisch gezien zijn die kinderen een produkt van incest. Het kunnen dus gestoorde mensen zijn en als ik het stuk goed lees beschrijft Claus ze ook zo. Vooral Antigone komt naar voren als een wonderlijk figuurtje. Misschien is ze zelfs zwakzinnig - voor dat idee moet ik de regisseuse warm zien te krijgen.”