Dan opstak er een hond zijn kop en oren; De worstelingen van de Nederlandse Homerusvertalers

'Je moet vertalen wat er staat' wordt wel gezegd. Maar bij archaïsche, exotische en poëtische teksten is die regel moeilijk toe te passen - omdat er te veel staat. Kort na elkaar verschenen twee nieuwe Nederlandse vertalingen van de Odyssee. De Homerusvertaler moet laveren tussen de Scylla van de modernisering en de Charybdis van de archaïsche retoriek.

H.J. de Roy van Zuydewijn: Homerus' Odyssee. Uitg. De Arbeiderspers, 407 blz. Prijs ƒ 59,90. (De herziene tweede druk van De Roy's Ilias-vertaling (511 blz, ƒ 59,90) is ook verschenen bij De Arbeiderspers).

Van de andere genoemde Odyssee-vertalingen zijn die van Imme Dros (Querido) en M.A. Schwartz (Athenaeum) nog leverbaar.

Tijdens het Amsterdamse Vertelfestival (26-30 dec) draagt de Franse verteller Bruno de la Salle delen uit de Odyssee voor (27 dec. in De Rode Hoed, 28 dec. in De Balie). Voorafgaand aan de voordrachten worden middagen gewijd aan de Odyssee en de recente Nederlandse vertalingen. Inl. en res. 020-6232904.

'Tot hier en niet verder': die woorden stonden te lezen op de twee zuilen die Hercules had geplaatst bij de Straat van Gibraltar. Daar eindigde voor de mediterrane wereld de beschaving. Maar ook aan het begin van de westerse cultuur staan twee monumenten: de Ilias en de Odyssea. Een millennium lang (tot de bijbel een nieuw baken werd) bleven beide epen het 'non plus ultra' van de literatuur.

De gehele antieke poëzie is ondenkbaar zonder de verhaalstof en het idioom van Homerus. Maar zelfs voor de ouden was Homerus nauwelijks meer dan een naam. Reisde hij rond als rapsode, 'vlechter van zangen'? Waren er twee Homerussen: een die de Ilias en een die de Odyssea had gedicht? Of was 'homèros' een soortnaam, die gewoon 'zanger' betekende? Van de Atheense staatsman Pisistratus wordt gezegd dat hij in de zesde eeuw voor Chr. de epen schriftelijk liet vastleggen. Was dat alleen een eindredactie of is pas toen uit heterogene zangen een samenhangende tekst geconstrueerd?

Op al deze vragen is er ondanks bibliotheken vol commentaren nog steeds geen sluitend antwoord gegeven. Wel is duidelijk geworden dat beide epen uit een orale traditie zijn ontstaan. Er zijn parallellen getrokken met volkszangers uit alle delen van de wereld: Rusland, Finland, Joegoslavië, Turkije, India, Afrika. De geheugencapaciteit van deze dichters overtreft het voorstellingsvermogen van ons computertijdperk. Zo is het geval bekend van een zanger die 80.000 verzen uit het hoofd kende. De Ilias telt er meer dan 15.000 en de Odyssea zowat 12.000.

Een primitief zanger creëert nooit uit het niets. Hij verwerkt een bestaande stof met behulp van pasklare elementen. Bij Homerus zijn dat onder meer de befaamde epitheta ornantia, zoals 'de snelvoetige Achilles' en 'de helmboswuivende Hector', of de formuleverzen, zoals 'hij nam het woord en richtte tot hem de gevleugelde woorden'. Geduldige onderzoekers hebben uitgeteld dat zowat een derde van de tekst bestaat uit dergelijke herhalingen (soms met vindingrijke variaties).

Maar ook gelijksoortige situaties, zoals gevechtstaferelen of ontmoetingen, worden steeds weer in dezelfde sjablonen gedrongen. De Muze, het verpersoonlijkte geheugen, laat de dichter nooit in de steek: altijd weer biedt zij hem kant-en-klare modellen waarmee hij een vers of een scène af kan maken. Het voorgevormde materiaal maakt ook improvisatie mogelijk: een rondreizende zanger kan zijn verzen aanpassen aan het geduld en het humeur van steeds wisselende toehoorders.

Vertaalstrategie

Deze karakteristieken verklaren waarom het Griekse heldenepos zo moeilijk vertaalbaar is. De moderne slagzin 'Je moet vertalen wat er staat' verbiedt ons bewerkingen, samenvattingen, parafrases en variaties vertalingen te noemen. Maar bij archaïsche, exotische en poëtische teksten is die regel moeilijk toe te passen. Waarom? Omdat er gewoon te véél staat: het origineel bevat zoveel ongelijksoortige elementen dat een vertaling ze onmogelijk allemaal recht kan laten wedervaren. De vertaler moet dus keuzes maken, een vertaalstrategie uitwerken.

Zo is het duidelijk dat het Homerische taaleigen geen echt Nederlands equivalent heeft. Deze kunsttaal is nooit door iemand gesproken en was zelfs voor de Grieken alleen maar begrijpelijk omdat zij er op school jarenlang op hadden gezwoegd. Het idioom is samengesteld uit diverse dialecten van verschillende periodes. De dichter koos naar het hem uitkwam tussen oudere of nieuwere Ionische of Eolische woorden en vormen.

Voor het doordeweekse Ionische werkwoord einai ('zijn') beschikte hij bij voorbeeld over de Eolische synoniemen emmen, emen, emmenai en emenai. Tegenover deze vijf vormen staan er in het Nederlands slechts twee: 'zijn' en 'wezen'. Maar zelfs dat is nog een gelukkig toeval. De derde naamval meervoud van het woord pous (voet) kon gevormd worden op zes manieren, die in diverse metrische posities bruikbaar waren: posi, posin, pousi, pousin, podessi en podessin. Daartegenover staat ons ene schamele 'voeten'.

Een vertaling in een moderne taal kan dus nooit een idee geven van 'wat er staat' aan variëteit van vormen. Datzelfde geldt voor de woordplaatsing die in het Grieks erg vrij was, zodat ten behoeve van het metrum of voor de nadruk allerhande inversies konden worden toegepast. Vertalers die dit proberen na te bootsen, vervallen in een soort 'vertaals' dat als koeterwaals klinkt.

Boutens geeft Odyssea, XVII, 291 weer als: 'Dan opstak er een hond, daar liggend, zijn kop en zijn oren'. Een modern vertaler als H.J. de Roy van Zuydewijn normaliseert dat tot: 'Daar lag een hond, die zijn kop ophief en zijn hangoren spitste'. Maar daarmee laat hij de tmesis (woordsplitsing) achterwege die dit vers bij Homerus zo speciaal maakt. Zoals Odysseus zelf wordt de interpreet voor onmogelijke keuzen gesteld: hij moet met zijn vertaling laveren tussen de Charybdis van de archaïserende vertaling en de Scylla van de moderniserende verschraling.

De trivialisering die elke Nederlandse overzetting van een antieke tekst bedreigt, zou enigszins opgevangen kunnen worden indien het Nederlands zelf nog beschikte over een poëtisch idioom. Maar onze dichterlijke taal, die in de Gouden Eeuw werd opgebouwd en in de achttiende werd vervolmaakt, is door de anti-retorische reactie van de romantiek onbruikbaar gemaakt. Wij kunnen helaas niet meer spreken over de 'guldene starren aan 't fulpen zwerk' zonder de lachlust op te wekken.

Door de standaardisering en democratisering van het Nederlands is bovendien bij veel taalgebruikers het gevoel voor stijlniveaus verdwenen. De verheven stijl met woorden als 'doch', 'gans' en 'der' (om nog maar te zwijgen over 'bijaldien', 'deswege' en 'middelerwijl') wordt thans alleen nog maar als ouderwets of ironiserend ervaren.

Walsje

Een zo mogelijk nog hachelijker probleem is dat van de versmaat. Homerus schreef in plechtige hexameters. Ieder vers bestaat bij hem uit zes voeten. Basis van de voet is de dactylus, gevormd door een lange lettergreep en twee korte: - - -. De twee korte kunnen vervangen worden door één lange, zodat we een spondee krijgen: - -. De voorlaatste voet is meestal een dactylus en de laatste voet is onvolledig: het is een spondee (- -) of een trochee (- - ).

Het Nederlandse metrum is niet zoals het Griekse op lengte gebaseerd, maar op klemtoon. Een Griekse hexameter klinkt dan ook heel anders dan een Nederlandse: ongeveer zoals een vierkwartsmaat tegenover een driekwartsmaat. Onze hexameters hebben iets van een walsje, zoals het volgende mnemotechnische versje aantoont: 'Geef me m'n hoed en m'n jas en m'n stok, want ik ga me verdrinken.' Zo'n luchtige maat is wel het laatste wat Homerus' toehoorders verwacht zouden hebben.

Ondanks dat fundamentele bezwaar hebben de meeste Nederlandse Homerus-vertalers voor deze dactylische maat gekozen: zo C. Vosmaer, Aegidius Timmerman, P.C. Boutens, H.J. de Roy van Zuydewijn en Imme Dros. Het enige voordeel hiervan lijkt me dat het Nederlandse vers ruim genoeg is om parallel te lopen met het Griekse. Maar zelfs dat werkt soms nadelig: de lange hexameter verleidt de vertaler meer dan eens tot wijdlopigheid. Zo komen bij voorbeeld in de al geciteerde hexameter 'Daar lag een hond, die zijn kop ophief en zijn hangoren spitste' de elementen 'Daar', 'hang-' en 'spitste' in het Grieks helemaal niet voor: ze dienen als metrisch vulsel.

Er zijn nog andere bezwaren aan te voeren tegen de Nederlandse hexameter. Om te beginnen is het Nederlands van nature een jambische taal, zodat een dactylisch metrum een wat geforceerde indruk maakt. Zoals Aristoteles al opmerkte, neigde ook het Grieks naar de jambe (- -), maar dat euvel werd bij Homerus ondervangen door dichterlijke vrijheden (zoals elisie, samensmelting, lettergreeprekking). Dit soort klankgymnastiek is in de moderne Nederlandse prosodie geen bon ton meer.

Bijzonder vervelend is ook dat de eerste lettergreep van een Nederlandse hexameter steeds een klemtoon moet krijgen. Een vertaler mag een regel dus nooit eens beginnen met zo gebruikelijke woorden als 'Een', 'De', 'Je', 'Terwijl', 'Gedurende'.

Niettemin slaagt een virtuoos als H.J. de Roy van Zuydewijn erin om vrij natuurlijk lopende hexameters te schrijven, maar ook hij kan niet zonder kunstgreepjes. Soms past hij toch elisies toe ('De oude' moet dan gelezen worden als 'D'oude') of schakelt tersluiks onbeklemtoonde beginlettergrepen in (bij woorden als 'omdat' en 'zoals'). En ook hij heeft wel eens onnatuurlijke inversies, die alleen door metrische nood te verklaren zijn, zoals 'Hem nu troffen ze aan...'

Een derde bezwaar tegen de hexameter is dat het Nederlands geen spondeïsche woorden heeft. Boutens stelde voor om in plaats daarvan samenstellingen te gebruiken met een bijklemtoon, zoals 'hoogmoed' en 'krijgsgod'. Andere Nederlandse hexameterschrijvers redden zich uit de nood door de spondeeën door trocheeën te vervangen, wat de Nederlandse maat helemaal van de oorspronkelijke af doet wijken. In zijn eerste Ilias-vertaling uit 1980 koos H.J. de Roy van Zuydewijn voor een haast zuiver dactylische maat. Daardoor klonk zijn vers veel eentoniger dan de Griekse hexameter, die niet minder dan 32 varianten kan aannemen. Wellicht wegens de kritiek die M. d'Hane-Scheltema daarop in Bzzlletin 175 liet horen, heeft hij in de recente tweede druk 'het aantal zuiver dactylische regels drastisch teruggebracht'.

Radicaal anders klinken de hexameters van Imme Dros die zich in haar luchtige Odyssea-vertaling alle mogelijke metrische vrijheden veroorlooft, zodat de lezer nog nauwelijks weet welke maat hij eigenlijk voor zich heeft.

Het blijft verwonderlijk dat moderne vertalers zich vrijwillig laten binden in het dwangbuis van een maat die bijna alleen maar nadelen heeft. Zo groot is de macht van een traditie die teruggaat op de beroemde Duitse Homerusversie van J.H. Voss (1793). Vóór die tijd werd er meestal gerijmd. Zo is er De Dolinge van Ulysse (1561) van D.V. Coornhert, die met zijn patina van rederijkerij nog altijd veel charme bezit.

Van de modernen heeft alleen Bertus Aafjes voor een eigentijdse oplossing geopteerd. Hij gebruikt soepele vijfvoetige jamben in zijn helaas bekorte Odyssee. Die lopen helaas niet gelijk met de Griekse verzen, zodat er naar mijn smaak wat te veel geënjambeerd wordt. De verzen krijgen een andere toon: Homerus daalt hier van zijn sokkel af en wordt een gezellige matroos-verteller in een Griekse taveerne.

Koperbekolderd

Een geval apart zijn de prozavertalers. Er valt heel wat te zeggen voor hun keus. De hedendaagse lezer is niet gewend aan lange verhalende gedichten. Zeker voor een eerste kennismaking lijkt zo'n proza-Homerus mij ideaal. Maar ook hier blijft er de moeilijkheid van het idioom: moet je archaïseren zoals Karel van de Woestijne met zijn 'koperbekolderde Achajers' of mag je zoals Jan van Gelder Odysseus 'intelligentie' toeschrijven? Beide strategieën zijn verdedigbaar. Het belangrijkste is dat je als vertaler bewuste keuzes maakt en die consequent doorvoert.

Voorlopig lijken wij voldoende versies in hexameters te hebben. Vosmaer met zijn 'godinne' en 'zone' is onherroepelijk verouderd, Timmerman behoudt met zijn mengeling van ouderwetse en nieuwerwetse elementen iets sympathiek baldadigs, Boutens is potsierlijk pedant en Dros brengt een vertroste versie die wel zijn fans zal hebben. Uiteindelijk is De Roy van Zuydewijn met zijn consciëntieus conservatisme nog de beste koop.

Daarnaast lijkt er mij zeker plaats te zijn voor een nieuwe prozavertaling die wat minder belegen zou klinken dan M.A. Schwartz en nog eigentijdser dan Van Gelder. Een tot nog toe onbetreden weg is een vertaling in vrije verzen.

Wie zich toch op metrisch ijs wil wagen, kan het eens met jamben proberen. Die dappere ziel geef ik hier de eerste regel van een Ilias in alexandrijnen cadeau: Bezing, godin, de wrok van Peleus' zoon Achilles.

De volgende 15692 verzen zal hij of zij zelf moeten vinden. Een interessantere strategie lijkt me een vertaling in verzen met zes heffingen en een onbepaald aantal dalingen daartussen. Zo'n Germaans vers kan de grote diversiteit van de Homerische hexameter benaderen. De eerste regel zou dan kunnen luiden: Bezng, godn, de wrók van Achlles, de zóon van Péleus.

Helaas, ook de vindingrijkste vertaler staat de kritiek te wachten die de beroemdste Engelse Homerus-vertaler Alexander Pope te horen kreeg van de classicus Richard Bentley: 'A pretty poem, Mr Pope, but you must not call it Homer.'

ODYSSEA, XI, 1-5

Als wij bij 't schip waren, trokken wij dat vóór al in de zee;

De mast werd gerecht, het zeil gestrekt, met kabels en koorden,

Wij brachten de beesten t' scheep, en gingen daar zelven mee;

Daar werd bitterlijk geweend, het hert deed ons wee.

D.V. COORNHERT (1561)

Na dat ons de Godin hadt goeden windt gegeven,

Is 't vaertuig zeewaerts in van dese kust gedreven;

Van mondkost wel voorzien, ook was daer ingebragt,

Het offervee, dat moest syn in de Hel geslagt.

De voorgenome reis heeft onse maets verdroten.

KOENRAET DROSTE (1721)

Wij zagen 't eenzaam strand en 't zedig vaartuig weêr.

Nu togen wij de hulk in 't golven van het meir,

Bevestigden de mast, verbonden zeil en koorden,

En sjorden 't slachtvee in, langs de opgetreilde boorden.

Toen gaven we ons te scheep, maar weenende en bedroefd;

Van 't voorgevoel des leeds den boezem ingeschroefd.

WILLEM BILDERDIJK (1814)

Nu sleepten wij de kiel in zee met al haar treil.

Men trok den hoogen mast en 't langgeborgen zeil

Omhoog; ons blatend vee werd straks in 't ruim gedreven

En schreiend wendden wij den breeden achtersteven.

JAN VAN 'S GRAVENWEERT (1824)

Toen wij bij 't schip alzoo en het zeestrand waren gekomen,

Sleepten wij, vóór al 't andre, het schip in den heiligen meervloed,

Richtten den mast en bevestten de zeilen van 't donkere vaartuig,

Namen en heschen de schapen aan boord, en wij zelven bestegen

't Vaartuig, droevig te moede en eindlooze tranen vergietend.

C. VOSMAER (1889)

Maar toen wij dan naar het schip en het zeestrand afgedaald waren,

Sleepten wij eerst het schip naar de heilige zee en wij zetten

Daarna de mast in het donkere schip op en spanden de zeilen,

Namen de schapen en laadden die in en gingen ook zelf scheep,

Treurig gestemd en stromen van tranen vergietend...

A. W. TIMMERMAN (1934)

Doch nadat wij bij 't schip en de zee af waren gekomen,

Sleepten, het eerste van alles, het schip wij de godlijke zee in,

Zetten den mast en de zeilen gereed op het donkere vaartuig,

Namen en brachten aan boord die schapen, en in wij onszelf ook

Scheepten, bedroefd in ons hart, overvloedige tranen vergietend.

P. C. BOUTENS (1937)

Toen wij dan 't schip en 't strand hadden bereikt

Trokken wij allereerst het schip in zee,

Plaatsten daarna de mast, hesen de zeilen,

Laadden het vee en gingen zelf aan boord.

BERTUS AAFJES (1965)

Toen wij afgedaald waren naar het schip en de zeekant,

trokken we eerst het schip in de vonkende zee en zetten

in het zwarte schip de mast op. We hesen de zeilen,

laadden het vee in het ruim en gingen zelf ook aan boord, we

waren ziek van verdriet, de tranen bleven maar stromen.

IMME DROS (1991)

Toen wij weer bij ons schip en de branding waren gekomen,

trokken wij eerst ons schip de stralende zee in en brachten

daarna de mast en de zeilen aan boord van ons zwartgeteerd vaartuig,

namen de schapen aan boord en scheepten tenslotte onszelf in,

tot onze ziel toe bedroefd en een stroom van tranen vergietend.

H. J. DE ROY VAN ZUYDEWIJN (1993)

(Met mijn dank aan de Gulden Librije, bibliotheek van het klassiek erfgoed in de Nederlandse letteren, Katholieke Universiteit Leuven).