Arrogant

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft onlangs een zéér verrassende uitspraak gedaan. Drie weken geleden besliste het namelijk dat nationale regels die bepaalde verkoopmethoden aan banden leggen, buiten de werkingssfeer van artikel 30 EG Verdrag (vrij verkeer van goederen) vallen.

Tot die uitspraak kwam het Europese Hof naar aanleiding van een Frans verbod op de verkoop van produkten met verlies. Twee ondernemers uit de Elzas die produkten tegen een lagere prijs hadden verkocht dan de daadwerkelijke inkoopprijs, moesten zich daarvoor verantwoorden bij de strafkamer van de rechtbank in Straatsburg. Zij voerden evenwel aan dat zo'n verbod niet in Duitsland geldt en dat hun verkoopactie er met name op was gericht de Duitse consument over de grens te trekken. Toepassing van het Franse voorschrift zou aldus de vraag vanuit Duitsland doen opdrogen. En dat zou toch in strijd zijn met het in de Europese Unie zo gekoesterde verdragsartikel over het vrij verkeer van goederen. Die stelling was zo onaannemelijk nog niet. Sedert 25 jaar is vaste rechtspraak dat het vrij verkeer van goederen kan worden ingeroepen tegen elke overheidsmaatregel die de handel tussen lid-staten 'al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren'. En op deze ruime omschrijving van een handelsbelemmering is sedertdien menig nationaal voorschrift gestrand. Tien jaar geleden hield het Europese Hof de Nederlandse rechter nog voor dat het niet te zuinig met het zojuist geciteerde criterium moest omgaan. Het ging toen om een verbod om sigaretten te verkopen tegen een lagere prijs dan de prijs vermeld op het accijnszegel. Het Hof besliste toen dat de nationale rechter ook bij dit soort voorschriften moet nagaan of die, al dan niet rechtstreeks, de tussenstaatse handel belemmeren; dat kan, zo voegde het Hof daaraan toe, 'ook het geval zijn indien de belemmering van geringe invloed is'. Maar nu heeft het Europese Hof beslist dat het anders is: bij nationale voorschriften die bepaalde verkoopmethoden beperken of verbieden behoeft men zich niet meer om artikel 30 EG Verdrag te bekreunen. En die beslissing is, zo zegt het Hof, genomen 'in afwijking van eerdere rechtspraak'.

Deze beslissing van het Hof is om tenminste twee redenen opmerkelijk. Allereerst is de beslissing moeilijk te plaatsen in de eerdere rechtspraak van het Hof. Zelf zegt het dat zijn uitspraak daarvan afwijkt. Is dat zo? Er zijn wel andere gevallen geweest waarin het Hof met een beroep op het vrij verkeer van goederen korte metten maakte. Dat deed het Hof bijvoorbeeld in 1981 naar aanleiding van een Duits verbod op nachtarbeid in broodbakkerijen. En van het recht van de Nederlandse fiscus om bij een belastingplichtige op diens spullen beslag te leggen, zei het Hof in 1990, dat het effect daarvan op de tussenstaatse handel 'zo indirekt en onzeker' was dat niet gezegd kan worden dat het fiscaal bodembeslag de tussenstaatse handel belemmert. Wijkt de beslissing van het Europese Hof over het Franse voorschrift ook van déze rechtspraak af? Het lijkt erop dat het Hof door te zeggen dat een en ander van eerdere rechtspraak afwijkt, zijn eigen rechtspraak op dit punt, die toch al niet eenvoudig is, alleen maar onbegrijpelijker heeft gemaakt.

In de tweede plaats valt de motivering op die het Hof aanvoert om zijn koerswijziging - als het dat is - te rechtvaardigen. Een echte motivering ontbreekt maar het Hof zegt tot heroverweging van zijn rechtspraak te zijn overgegaan 'aangezien de marktdeelnemers steeds vaker een beroep doen op artikel 30 EG Verdrag ter betwisting van alle soorten regelingen die hun commerciële vrijheid beperken'. Als men minder vaak een beroep op het EG Verdrag doet, dan was het Hof dus bij zijn oude rechtspraak gebleven. Artikel 30 EG Verdrag - onder aanvoering van het Hof zelf één van de meest fundamentele en verreikende bepalingen uit het EG Verdrag - wordt wegens succes niet geprolongeerd. Dat is kennelijk de boodschap.

Zij die met Europees recht vertrouwd zijn moeten zich hier toch de ogen uitwrijven. Dertig jaar lang wordt aan universiteiten eerbiedig uit het Van Gend & Loos-arrest geciteerd. Men was trots op die Nederlandse onderneming, die in het begin van de jaren zestig de moeite nam een beroep op een bepaling uit het EG Verdrag te doen. Het Europese Hof beloonde dat beroep door de betreffende bepaling, zoals dat heet, 'rechtstreekse werking' toe te kennen, met gevolg dat iedereen er een beroep op kon doen. 'De waakzaamheid der belanghebbenden op de verzekering van hun rechten verschaft een doelmatige controle, die zich paart aan het toezicht dat aan de Commissie en de Lid-Staten is opgedragen', zo hield het Hof Europa voor. Aldus werd Van Gend & Loos in 1963 met alle égards op één lijn met de Europese Commissie gesteld: het was goed dat ook ondernemers alert en kritisch bleven. Nu, anno 1993, heeft het Europese Hof zijn trouwe en waakzame klantjes kennelijk niet meer nodig. Die worden nu bits het Paleis van Justitie uitgejaagd: zij doen te vaak een beroep op het EG Verdrag. Geen zichzelf respecterende overheidsinstantie zou het durven opschrijven, maar het Europese Hof denkt er kennelijk anders over: het loket gaat dicht, want de rij wordt te lang! En zo is de Europese Unie, in het burgerschap waarvan men zich sedert 1 november jl. kan verheugen, ingeluid met een even onbegrijpelijke als arrogante beslissing.