Als ik maar maal! Hymnen van de knorrige dichter H.H. ter Balkt

H.H.ter Balkt: Laaglandse hymnen. Uitg. De Bezige Bij. 96 blz. Prijs ƒ 37,50.

Een hymne is volgens de handboeken een plechtige, in het bijzonder een godsdienstige of gewijde lofzang. De Grieken en de Romeinen waren er goed in, en ook de psalmdichters. Tot in de romantiek werd er nog wel gehymned, maar daarna werd het minder. Tegenwoordig zijn er niet veel dichters die zich nog aan het genre wagen. Maar H.H. ter Balkt, toch al nooit erg modegevoelig, wel. Hij werkt al enkele jaren aan een groot project onder de titel Laaglandse hymnen. Het moet een soort rijmkroniek worden van in totaal 150 gedichten, waarin de geschiedenis van onze contreien bezongen wordt, van paleolithicum tot heden. In zijn nu verschenen bundel Laaglandse hymnen zijn de eerste resultaten van zijn dichterlijk-historisch onderzoek bijeengebracht: 70 hymnen, die behandelen wat er zich tussen ongeveer 14000 v. Chr. (vuistbijltjes) en 1596 n. Chr. (overwintering op Nova Zembla) zoal heeft voorgedaan.

Wie op grond van de titel een en al verheerlijking van de lage landen bij de zee zou verwachten, komt bedrogen uit. In het eerste gedicht belandt Ter Balkt, via wat uitweidingen over rendierjagers, tranchetbijlen en de dennehouten kano van Pesse (6500 v. Chr.), al snel bij het zogenaamde mannetje van Willemstad: een houten beeldje dat wel wordt beschouwd als de oudst bekende afbeelding van de Nederlander. Ter Balkt wordt niet ontroerd door de houten kop van zijn verre voorvader. Hij ziet in 'dat louche houten beeldje' vooral een grijns, en die grijns 'verklikt al de latere grijns van de navolger en/ verduisteraar, hier altijd inheems.' Met deze regels bevinden we ons weer op vertrouwd terrein. Navolgers en verduisteraars zijn wij dus, fraudeurs en epigonen - en volgens de knorrige dichter zijn wij dat altijd al geweest.

Vele gedichten later behandelt Ter Balkt de slag bij Heiligerlee, vaak opgevat als het begin van de Tachtigjarige Oorlog en dus als het begin van de laaglandse onafhankelijkheidsstrijd. Ter Balkt ziet het anders. Vrijheid en geloof hebben we volgens hem daar nu juist achtergelaten. In de modder van Heiligerlee is ons huidige 'Doofpottenland' ontstaan: een land van akkerdistels en verraders, met lekkende schepen op de horizon en 'zwart water in de ketels en kanalen'.

Dit zijn maar twee van de vele plaatsen waar de dichter, temidden van zijn vele historische gegevens, zijn stem verheft en de chronologie even laat voor wat zij is. Tussen Steentijd en Tachtigjarige Oorlog trekken heel wat volken aan zijn boze oog voorbij: klokbekervolken en trechterbekervolken (en natuurlijk standvoet-, trompet-, gordelpot- en halspotbekervolken), Romeinen, Merovingers, kluizenaars, pelgrims, dolende toernooiridders, Spanjaarden en ook een enkele afgedwaalde Azteek. Al deze naamlozen worden gesecondeerd door bekende figuren als Henric van Veldeke, Erasmus, Bosch en Bruegel, Willem van Oranje, Calvijn en Alva met zijn Bloedraad. De ingrediënten worden gelukkig allemaal uitvoerig gedocumenteerd in de ruim twaalf bladzijden 'Verhelderingen'. Zo kan er heel wat vergeten vaderlandse geschiedenis worden opgehaald. Maar hun grootste charme ontlenen deze scènes toch aan die momenten waarop Ter Balkt de historie met zijn bizarre verbeelding verlaat: als de minstreel in de roofburcht mastermind speelt met de koning, als de koerier binnen komt stormen met op zijn helm een sticker van Wittekind, als het hoofd van Calvijn langwerpig als een zakhorloge in beeld verschijnt of als rond het jaar 1000 de sombere punk van The Dead Kennedy's en Jesus and Mary Chain in de lucht blijkt te hangen - voor wie tenminste goed luistert.

Lófzangen zijn in deze bundel dus nauwelijks te vinden, en eerlijk gezegd ook weinig ander gezang. Ter Balkt koos voor zijn laaglandse hymnen een versvorm die nu eenmaal weinig tot zingen uitnodigt, het sonnet. Kennelijk wilde hij zijn neiging tot lyrisch uitwaaieren al bij voorbaat insnoeren. Hij klinkt in deze bundel geremder en gedempter dan ooit, een indruk die wordt versterkt door de stroeve uittrekselstijl van veel van zijn gedichten: korte zinnen, notities tussen haakjes, puntkomma's, gedachtenstrepen, jaartallen en opsommingen. Er moesten veel gegevens over een figuur of een gebeurtenis in veertien regels worden gepropt. De lyriek wil er dan nog wel eens bij inschieten en het lezen van deze hymnen (plus verhelderende aantekeningen) wordt zo nogal eens tot een studieus karwei - een probleem dat zich bij meer naslagwerkdichters (Hamelink, Vlek, Kuijper) voordoet.

Ter Balkts rijm- en maatloze sonnetten moeten het alle zeventig in hun eentje doen, zonder een groot hymnisch of lyrisch verband en zonder epische voortgang. De chronologie bepaalt hier de volgorde en verder is er nauwelijks een leidende gedachte - of het zou de gedachte moeten zijn dat wat er werkelijk toe doet zich nu juist aan het gezicht onttrekt. Op een schilderij van Bruegel ziet Ter Balkts geestesoog een roodgeverfd houten kraaiemasker. Het hangt 'buiten beeld', om precies te zijn: 'achter het kerkje'. In die kraai valt Ter Balkts alter ego te herkennen, de tamme kraai Corvus Corone die hem al vanaf zijn vroegste bundels vergezelt. Hij is ook aanwezig in het gedicht 'Boodschapper mompelend tegen de boomtoppen'. Daarin is een boodschapper de weg kwijt geraakt, nogal lastig voor iemand met zo'n beroep. Bovendien is hij ook nog eens zijn boodschap vergeten. Maar hij kan er, op deze mooie zomerdag ergens diep in de donkere middeleeuwen, niet echt mee zitten. Hij geeft zich - zeldzaam moment in Ter Balkts barse oeuvre - onbevangen over aan de 'lieflijk groengouden kussens' van het mos, aan het rustig 'trommelende' beekje en aan het blauw van 'de zingende augustushemel'. Met deze boodschaploze boodschapper moet Ter Balkt zich wel verwant voelen. En daarmee lijkt hij zelf al de zin van zijn laaglandse hymnen-onderneming te relativeren. Al die sonnetten, al die bladzijden verhelderingen, al die ijver: het lijkt de door hemzelf gehekelde vlijt en taaie noestheid van Calvijn wel.

Vlijt en onthechting komen mooi samen in het gedicht 'De windmolen'. Ter Balkt beschouwt het zelf ook, zo zei hij in een interview, als het beste gedicht van de bundel en tevens als een portret van de dichter die hij wel zou willen zijn. Hij waait met alle winden mee, deze windmolen, en bekommert zich maar om één ding: 'Als ik maar maal!' Want dan is de zang te horen, de mooie zang van de gegroefde molenstenen die de graankorrels (de 'nomaden van de velden') omtoveren tot de 'vruchtbare sneeuw' van het meel. Hij heeft maar één zorg: hij is door gevaarlijke gekken ('die zwermen Don Quichotes') omringd. Want de waanzin regeert de wereld, zo lijkt de malende molen hier te willen zeggen. Blijkt dat niet uit dit gedicht, dan blijkt het wel uit de aantekeningen. De gegevens voor dit gedicht ontleende Ter Balkt aan Onze windmolens, een brochure van aardoliemaatschappij Esso.