Zonder Indie zou Den Haag Den Haag niet zijn

Vermaard zijn ze al decennialang. De roze en groen gekleurde cakejes van Toko Toet op de Beeklaan. De Kumpulan van de Indische landbouwingenieurs in Garoeda. Of de sateh babi-saus van de kok in Semarang. Zonder Indië zou Den Haag Den Haag niet zijn.

Garoeda, Kneuterdijk 18a, Den Haag. Res 070-3465319

Kantjil, Prinsestraat 106a, Den Haag. Res 070-3654398

Poentjak, Kneuterdijk 16, Den Haag. Res 070-3600522

Semarang, 2e Sweelinckstraat 115, Den Haag. Res 070-3657039

Toko Toet, Beeklaan 376, Den Haag. Res 070-3609023

Aan het einde van de lagere schoolperiode schonk de gemeente ons het boekje Kris kras door Den Haag. Het werd warempel tijd dat wij erachter kwamen dat onze stad nog meer te bieden had dan de Vruchten-, Bomen- en Bloemenbuurt waar wij schoolgingen. De Vlierboomstraat. Drie woonlagen en een plat dak, waarin met volstrekte regelmaat trappen in het donker verdwenen en de vrouwen die, juist als de school ons om 12 uur voor anderhalf uur losliet, hun kokosmatten klopten met gezichten (verbeten, verstild, de berusting voorbij) die me met angst en medelijden vervulden.

Die vrouwen zou ik eigenlijk ook mee moeten nemen. Misschien waren ze nog ergens anders te plaatsen. Slaan konden ze in ieder geval wel.

Wij woonden aan de kade (daar was al iets meer lucht), toen het eind van Den Haag. Mannen en soms een vrouw gingen gebogen over het jaagpad. Het ene eind van de boom in de schuit, het andere aan de schouder. Zo trokken ze naar het Westland.

Indisch eten deden we in de jaren vijftig en zestig niet. Een enkele keer werd ik met een lijstje naar Toko Toet op de Beeklaan gestuurd. Risolles, lempers, pasteitjes, cakejes met felle roze en groene kleuren. Achter de toonbank stond een lange rechte man in een witte jas. Zo beleefd mogelijk deed ik mijn bestelling. Hij zag er immers uit of hij liever apotheker was geworden. En als er vrienden en kennissen van mijn ouders bleven eten werden door dezelfde firma rantangs met van alles gebracht. De sambals maakte mijn moeder zelf. Daar werd zij om geprezen.

“Daarginds. Daar moet ik naar toe”, zei ik en wees in de richting van de oude binnenstad die ik daar nog niet wist. Nou ja, niet wist, een Hagenaar in hart en nieren voelt, vanuit welk deel van de stad ook, waar het centrum zich bevindt. Want hier is het niks, dacht ik er stilletjes achteraan, maar ze had me door en vervolgde me tot in Sinterklaasgedichten toe met de vraag: “Moet je altijd kritisch zijn?”

Toch was zij het die me een eind in de goede richting bracht. We fietsten naar 'de stad' via de Loosduinseweg, de Lijnbaan, de Prinsengracht. Voorwaar geen wandelroute! In de Grote Marktstraat vertoefden we eindeloos in de Bijenkorf en V&D en tot mijn opluchting, het slot was nabij, liepen we door naar de Passage. “Eén van de merkwaardigste straten van onze stad”, zegt Kris kras, “want je loopt daar met een glazen dak boven je hoofd.” Aan de kant van de Groenmarkt spoelden we weer naar buiten en dan was je eindelijk in Den Haag. Aan onze rechterhand het Binnenhof, de Hofvijver met aan de kant van de Lange Vijverberg het donkere bomenpad waar ik later zo vaak zou lopen, maar niet met mijn moeder.

Wij liepen over het Buitenhof langs de Gevangen Poort, ooit de voorpoort van de ommuurde hoven. Kon ik maar even terug. Op de Kneuterdijk en de Heulstraat de twee restaurants die later de grens van mijn biotoop zouden markeren.

Garoeda, vanaf 1930, ontvangt tussen elf uur 's ochtends en elf uur 's avonds. Wie de Kumpulan van de landbouwingenieurs van Indië wil meemaken dient op de eerste vrijdag van de maand te komen. De oudste gast is 95 jaar. Op alle uren kan men terecht voor een 'Telor Madoera', aangereikt door een ober gekleed in Singapore-jasje en topi.

En daarnaast is Poentjak. Twee Indische restaurants die al decennia tegen elkaar leunen. In Poentjak nam Henk van Stipriaan zijn programma 'Tempo Doeloe' op. “Goedenavond dames en heren, liefhebbers van alles wat te maken heeft met die prachtige Gordel van Smaragd.” Pas later in de uitzending hoorde ik het bestekgekletter. Ik herinnerde me niet dat ik gegeten had. Ik had toch alleen naar die voornaam uitziende gerechten, omlijst door fluwelen gordijnen, gekeken.

Nooit ging mijn moeder vanuit de Passage linksaf, richting Grote Kerk, een andere grenspost van mijn gebied, en het duurde nog jaren voor ik in de Prinsestraat kwam te wonen. Het was een oud dorp waar ik belandde, met mensen die als vrije dorpelingen naast elkaar leefden. Geen geloer door gordijntjes. Men kende elkaar gewoon.

De bakker, de vioolbouwer en zijn zuster, de koks die met muts en schort over straat gingen, de galeriehouder met het Jeroen Boschgezicht en alle mensen die er woonden hadden iets van het nog steeds aanwezige verleden geabsorbeerd.

Daar maakte ik de mooiste wandeling. Oversteken, door de Juffrouw Idastraat, bij bakkerij Van Houdt linksaf de Oude Molstraat (een elleboogstraat vanwege zijn flauwe knik) in, de Molenstraat (bekend sinds 1400) oversteken, even kijken naar het huis waar Couperus de winter van 1915 doorbracht, onder de poort door over de middeleeuwse klinkers en ik was in de Paleistuin, de noordelijke begrenzing van mijn gronden. Langs de oude beuk. Onder de kring van linden door. Bij de vijver was het groene gras en de zon scheen me daar altijd in slaap.

Later werd die ingang van de Paleistuin voor publiek gesloten, omdat Paleis Noordeinde in gebruik werd genomen. Waarom, denk ik nog steeds. Tijd om te verhuizen. Vlak voor ons vertrek kwam restaurant Kantjil erbij, een niet te versmaden 'grenspost' vrijwel aan het begin van de Prinsestraat.

Ik woon nu in de buurt van de Waterpartij die ik destijds in Kris kras ontdekte, verontwaardigd de zomers tellend waarin ik daar een bootje had kunnen laten varen en de winters dat ik er had kunnen schaatsen met koek en zopie. Een klein schoolreisje had er op z'n minst aan gewijd mogen worden. Enfin, het Indisch Monument staat er nu. Dat maakt iets goed al kan ik niet uitleggen hoe.

De Waterpartij vormt samen met het Scheveningse bos, Zorgvliet en het Westerbroekpark een grote groene Haagse 'long'. Na de wandeling Indisch eten? Op de hoek van de Tweede Sweelinckstraat en de Danckertstraat kan in Semarang aangeschoven worden tussen vijf en kwart voor acht. Het restaurant bestaat veertig jaar en herbergt 's avonds vele stamgasten. Heel bijzonder: op 1 en 2 januari wordt er Nasi Kaboeli geserveerd op pisangbladeren.

Mijn moeder tracht al jaren tevergeefs het recept van de sateh babi-saus los te krijgen. De eerstvolgende keer ga ik het haar zeggen: “Staar je toch niet blind op dat ene sateetje. Er staan nog negenendertig andere soorten op de kaart!”