Werkloosheid centraal in Kamerdebat

DEN HAAG, 16 DEC. De werkloosheid is het centrale thema in het debat over de begroting van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid dat de Tweede Kamer deze week voert. Veel politieke retoriek is daarbij gewijd aan de minister van werkgelegenheid, de CDA'er dr. B. de Vries die aan zijn laatste jaar in het landsbestuur is begonnen.

Heeft hij “op cruciale momenten gefaald”, zoals de VVD'er R. Linschoten beweert, of is hij “de beste minister van werkgelegenheid in Europa”, zoals PvdA'er J. van Zijl meent. Misschien is De Vries de man die, zoals zijn partijgenoot H. Huibers stelt, vooral de minister die de aanzetten heeft gegeven tot een versobering van de sociale zekerheid, vernieuwde arbeidsverhoudingen, flexibilisering van de arbeidsmarkt, kortom, allemaal maatregelen die gericht zijn op verbetering van de werkgelegenheid.

Over de verdiensten of het ontbreken daarvan van de huidige minister zal de politiek verdeeld blijven. Dat neemt niet weg dat over de hoofdlijn waarlangs volledige werkgelegenheid moet worden nagestreefd, in de Nederlandse politiek in feite brede overeenstemming bestaat, zoals het debat in de Tweede Kamer deze week aantoont. Het Tweede-Kamerlid A. Schimmel van D66 noemde het alopvallend dat in Europa in de discussie over werkloosheid de “scheidslijnen tussen politiek links en rechts vervagen”, al is dat volgens haar in Nederland nog niet zover.

Twee deskundigen met uiteenlopende politieke sympathie gaven deze week in deze krant aan wat volgens hen de oplossingen zijn bij het bestrijden van de werkloosheid. Zowel de directeur van het Centraal Planbureau (CPB), de econoom G. Zalm, als de socioloog H. Adriaansens, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, gaf te kennen dat arbeid in Nederland goedkoper moet worden, dat het verschil tussen loonkosten en netto-loon, de wig dus, aanzienlijk kleiner moet worden. Dat vinden minister De Vries, staatssecretaris Wallage, de overige kabinetsleden en alle Kamerleden ook. Dus, meent iedereen, moeten de belasting op arbeid en vooral de sociale premies omlaag.

Dat dit moet gebeuren door de arbeidsparticipatie te vergroten, door meer mensen aan het werk te helpen of te houden, valt in de Nederlandse politiek ook onder een warme deken van consensus. Blijft de verhouding tussen het aantal werkenden en het aantal inactieven namelijk zo scheef als nu, “dan bijt de sociale zekerheid in zijn eigen staart”, zoals staatssecretaris Wallage dat graag mag uitdrukken. Met andere woorden: dan vallen de kosten van de sociale zekerheid niet meer te verdienen en is verlaging van de uitkeringen onontkoombaar.

Waarmee het terrein is betreden waarop de partijen in de Tweede Kamer wel een grote verdeeldheid vertonen. Waar de verdedigers van de verzorgingsstaat het moeten opnemen tegen de, in de woorden van PvdA'er Van Zijl, “ongeclausuleerde aanhangers van de vrije markt” die het “de hoogste tijd voor ruige acties” vinden. Waar de VVD'er Linschoten minister De Vries verwijt dat hij “niet thuis” gaf toen het kabinet de afgelopen jaren “de ene lastenverzwaring op de andere stapelde” en “de ene heffing na de andere liet volgen”, allemaal “met zeer fnuikende gevolgen voor de werkgelegenheid”.

In het debat van deze week komen enkele aanbevelingen van Zalm en Adriaansens nauwelijks of niet ter sprake. De warme pleidooien van Zalm en andere Kroonleden van de SER om het automatisch algemeen verbindend verklaren (AVV) van CAO's af te schaffen heeft inmiddels wel de instemming van De Vries en de overige kabinetsleden, maar de minister heeft ook aangegeven dat dit wat hem betreft het komend jaar nog niet aan de orde is. De Tweede Kamer zal nog apart een debat aan de kabinetsnotitie hierover wijden.

Vast staat dat de VVD een overtuigd aanhanger is van afschaffing van de AVV en dat D66 een veel selectiever gebruik voorstaat. Eigenlijk wil deze partij hetzelfde als De Vries: geen AVV meer voor kostbare bovenwettelijke afspraken of voor CAO's waarin lage loonschalen ontbreken. Wel voor goede doelen, bijvoorbeeld op het gebied van scholing. De PvdA-fractie keert zich op dit punt tegen het bevriende kabinet. Zij beschouwt AVV als een onmisbare schakel in de overlegeconomie. Ook in de CDA-fractie zijn diverse leden te vinden die er niets voor voelen de sociale partners op dit punt voor het hoofd te stoten.

Het pleidooi van Adriaansens voor het terugdringen van de 'kostwinnersideologie', die zowel in de fiscale als de sociale regelingen domineert, heeft op dit moment nauwelijks de aandacht van de politiek, maar is permanent sluimerend aanwezig als thema voor een eventuele 'paarse coalitie'. Bij de begrotingsbehandeling vorig jaar wierp PvdA'er J. van Zijl bij minister De Vries een paar balletjes op over het kostwinnersprincipe, de verschillen in belastingvrije sommen en de voetoverheveling, dit tot genoegen van VVD, D66 en GroenLinks. Maar De Vries maakte toen duidelijk, zij het niet in zulke letterlijke bewoordingen, dat er zolang het CDA in het centrum van de macht vertoeft geen sprake zal zijn van aantasting van het kostwinnersmodel.

Van het huidige kabinet zijn evenmin op dit moment stappen te verwachten om het minimumloon verder te verlagen of zelfs af te schaffen. VVD'er H. van Hoof zei dat van zijn partij het minimumloon moet worden afgeschaft, al had hij geen oplossing voor het dan dreigende probleem dat de uitkeringen voor echtparen hoger zullen zijn dan de laagste lonen. De VVD vindt wel dat de uitkeringen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders met 10 procent kunnen worden verlaagd, maar niet die voor echtparen. Van de CDA-fractie valt op dit moment weinig te vernemen nu de partij op het punt staat in het concept-partijprogramma de passage over het minimumloon (afschaffing of verlaging met twintig procent) aan te passen. Andere grote partijen zien, net als minister De Vries, het nut van een lager minimumloon niet in.

Over de noodzaak van hogere overheidsinvestingen en van loonmatiging valt deze week veel in de Tweede Kamer te vernemen, maar geen tegenspraak. Verdeeldheid is er wel over thema's als ontslagrecht, banenpools, de vierdaagse werkweek, deeltijdarbeid, de vergunningen voor uitzendbureaus, enzovoorts. Zo kan de suggestie van de PvdA om voor nieuwe rijksambtenaren in principe een vierdaagse werkweek in te voeren op weinig bijval van CDA en VVD rekenen, tenzij Kamerlid Van Zijl deze fracties ervan kan overtuigen dat zijn partij vrijwilligheid hierbij vooropstelt. De PvdA op haar beurt ziet er voorlopig vanaf een initiatief-wetsvoorstel van GroenLinks, om werknemers een wettelijk recht op deeltijd te geven, te steunen; dit in tegenstelling tot D66.

GroenLinks heeft inmiddels een verdergaand plan uitgewerkt om de arbeidsduurverkorting tot 32 uur per week financieel te stimuleren. Deze fractie wil werkgevers extra belasten met 10 procent van de loonkosten als een werknemer langer dan 32 uur per week werkt en nog eens met 10 procent als de 36 uur wordt overschreden. De opbrengst van deze malus, 4,4 miljard, moet als bonus worden besteed aan een verlaging van de loonkosten van werknemers die niet meer dan 32 uur per week werken. Volgens CPB-berekeningen levert dit 30.000 arbeidsplaatsen op. Het plan maakt in de Kamer echter geen kans.