Vier ton pronkgeschut op drift; Nederlandse wapenhandel in de Gouden Eeuw

Kanonnen, duelleerpistolen, musketten, jachtgeweren: in de zeventiende eeuw werden tot in Moskou en Marokko wapens uit Holland aangeschaft. Neutrale politiek of niet, handel was handel. Holland als 'arsenaal van de wereld' is het thema van een tentoonstelling over wapenhandel in de Gouden Eeuw, vanaf morgen te zien in het Legermuseum in Delft.

Het Arsenaal van de wereld. Van 17 dec t/m 12 juni in het Legermuseum Delft, Korte Geer 1, Delft. Di t/m za 10-17u, zo 13-17u. Inl 015-150500.

De Lübeckse kanonnenmaker Albert Benningh schonk Holland in 1670 als dank voor de plaatsing van grote bestellingen twee stuks pronkgeschut. Relatiegeschenken waren ook toen al gebruikelijk. De met kunstig smeedwerk versierde en vier ton wegende kanonnen kwamen nog dat jaar in het Armamentarium in Delft te staan.

Napoleon bezocht de stad in 1811. 'Tiens', moet hij gedacht hebben bij het zien van de bronzen gevaartes, 'wat een fraai gietwerk'. Napoleon liet de Benningh-kanonnen overbrengen naar het Parijse Hôtel des Invalides. Oorlogsbuit. Na de slag bij Leipzig vielen de kanonnen in handen van de Pruisen en de Oostenrijkers, die ze in 1814 tentoonstelden in respectievelijk Berlijn en Wenen.

Bij hun verovering van Berlijn in 1945 moeten ook de Russen getroffen zijn geweest door het bronzen kanon, want de vuurmond verdween naar de Sovjet-Unie. Het Berlijnse Benningh-kanon was spoorloos, tot een medewerker van particuliere wapenverzamelaar Visser twee jaar geleden het artillerie-museum in St. Petersburg bezocht. Het besneeuwde geschut nummer 72 op de binnenplaats van het museum was het bewuste kanon.

Na lang onderhandelen, een verzekering van een miljoen dollar en een gratis fax voor de Petersburgse museumdirecteur, is het Benningh-kanon met een Nederlandse legertruck weer op weg naar het Armamentarium, dat inmiddels ook het Nederlands Leger- en Wapenmuseummuseum is gaan heten. Conservator J.P. Puype hoopt dat het kanon daar juist op tijd zal aankomen om als pronkstuk te dienen op de tentoonstelling 'Het arsenaal van de wereld, Nederlandse wapenhandel in de Gouden Eeuw', die morgen wordt geopend. Het Benningh-kanon mag een jaar in bruikleen blijven, daarna moet het weer terug naar St. Petersburg.

Holland wás in de Gouden Eeuw het arsenaal van de wereld. Hoewel de zeventiende eeuw vooral bekend staat als een periode van economische voorspoed, was de Republiek wel degelijk verwikkeld in een lange reeks incidenten, grensgeschillen, strafexpedities en regelrechte oorlogen. Dat bijvoorbeeld bij de twee oorlogen tegen Engeland in totaal bijna 60.000 slachtoffers vielen wordt wel eens over het hoofd gezien.

De combinatie van ervaring met het oorlogvoeren en de technische expertise van gespecialiseerde gilden, maakte de Republiek tot een centrum van wapenproduktie en export. Doordat de Republiek een groot deel van de mondiale handel overzee beheerste, konden de grondstoffen vanuit de koloniën en andere verre gebieden worden aangevoerd. Salpeter kwam uit Bengalen, tin uit Sumatra, zwavel uit Sicilië en koper uit Japan.

Assemblage van wapens had hier ook plaats. Musketlopen werden bijvoorbeeld in werkplaatsen in Luik gegoten, de kolven werden in de Hollandse steden gesneden. De zaken liepen zo goed dat, zoals de transactie met Albert Benningh illustreert, ook orders in het buitenland werden uitbesteed.

Niet alleen het Staatse leger, de vloot en de VOC waren grote afnemers, ook bijvoorbeeld Duitse stadstaatjes, Frankrijk, de landen rond de Oostzee en de Turken betrokken hier hun buskruit, kurassen en musketten. Tot in Moskou en Marokko toe werden Hollandse wapens aangeschaft. Wettelijke beperking werd de wapenhandelaren niet of nauwelijks opgelegd. De Republiek stelde zich in veel buitenlandse conflicten wel neutraal op, maar ja, handel was handel. Daarnaast legden de Hollandse bussemakers en wapensmeden zich ook toe op het maken van luxe wapens, zoals duelleerpistolen en jachtgeweren.

De levendige expositie is niet omvangrijk, maar biedt een breed overzicht van de wapenhandel van de zeventiende-eeuwse Republiek. De tentoongestelde stukken zijn zo gekozen dat de bij dit soort onderwerpen dreigende mufte wordt vermeden.

Uit het Steiermärkische Landeszeughaus in Graz, Oostenrijk, is een curieuze niet afgemaakte musket in bruikleen gekregen. De geografische aspecten van de wapenhandel worden eveneens belicht en de in die tijd geldende theorieën van oorlogvoeren zijn, voor wie zeventiende-eeuws kan vertalen, in oude handboeken na te lezen. Van het Delftse Stedelijk Museum is het schuttersstuk 'Witte Delft' geleend.

Harnassen, helmen en steek-, slag-, houw-, spies- en vuurwapens zijn er in alle soorten en maten. Kortom, alle rekwisieten waarmee in de serie 'Floris' het stuntteam van Hammie de Beukelaar was uitgerust in dienst van roofridder Maarten van Rossem. Een grote verzameling luxe vuurwapens uit de Visser-collectie hangt in het gedeelte van de expositie dat voor de gelegenheid 'de schatkamer' is gaan heten. Volgens Puype doet alles het nog, maar dat is ter kennisgeving aan te nemen. Schietdemonstraties met de van radsloten voorziene pistolen en lontslotmusketten worden niet gegeven.

Een aparte afdeling is gereserveerd voor de handel met Noordamerikaanse Indianen uit de tijd dat New York nog Nieuw-Amsterdam heette. Hollandse kolonisten verkochten geweren aan de Irokezen. Eén voorlader verwisselde eerst nog voor zes bevervellen van eigenaar, later werden dat er twintig.

Het duurde dan ook niet lang voordat in het nabije achterland geen bever meer was te bekennen. De Irokezen verplaatsten daarop hun jachtgronden naar Frans gebied. Een Franse strafexpeditie liet niet lang op zich wachten en tientallen Indianendorpen werden in de as gelegd. Bij recente opgravingen van deze nederzettingen kwamen honderden Hollandse geweersloten aan het licht. Enige tientallen daarvan zijn in Delft te zien. Bij sommige zitten de vuurstenen er nog in.