Swarte presenteert vet en plat volkstoneel met voddige rekwisieten

Voorstelling: De Bedelaarsopera van John Gay door Het Zuidelijk Toneel. Vertaling: Theo van Gogh, Heleen Hartmans. Regie: Rieks Swarte. Spel: Ali Cifteçi, René Eljon, Jes Vriens e.a. Gezien: 11/12, Stadsschouwburg, Eindhoven. Nog te zien: t/m 12/2, in het gehele land.

Onder leiding van Jos Thie en Antoine Uitdehaag begon het volledig van het eigen publiek vervreemde RO Theater jaren geleden rond de jaarwisseling zogenaamde 'familievoorstellingen' uit te brengen. Daarmee boekte het succes, de Rotterdammers stroomden weer toe, en de nieuwe artistiek leider Peter de Baan handhaafde de traditie dan ook. Wellicht beoogt Het Zuidelijk Toneel een soortgelijk effect met de enscenering van John Gays De bedelaarsopera: bovendien houden ook subsidiënten erg van publieksvriendelijk repertoire. Anderzijds kan de keuze van dit stuk terug te voeren zijn op de overtuigingskracht van regisseur Rieks Swarte.

Want die heeft ongetwijfeld iets bijzonders in het vooruitzicht gesteld - en zich vervolgens helaas niet aan zijn belofte gehouden. Ik wil maar zeggen, dat ik niet begrijp dat Het Zuidelijk Toneel deze voorstelling uitbrengt. Het heeft onder leiding van Ivo van Hove, met wisselend succes maar ook met grote zorgvuldigheid, een eigen stijl ontwikkeld en een duidelijk imago. Modern of klassiek toneelwerk, Het Zuidelijk Toneel onderscheidde zich met fraaie en vindingrijke decors (van Jan Versweyveld), met thrillerachtig gebruik van muziek, met acteurs die de gevoelens van hun personage in de woorden van gastregisseuse Dora van der Groen “door zich heen laten stromen”.

In de voorstelling van Rieks Swarte is van dat alles niets terug te vinden, net zo weinig als van het vertederend-naïeve 'speelgoedtheater', waarmee Swarte zich een reputatie verwierf. Maakte Brecht van Gays metaforische zedenschets uit 1728 dialectisch-politiek theater (Dreigroschenoper), Swarte keert weer terug naar de oorsprong. Gay situeerde zijn simpele verhaaltje over verraad, corruptie, prostitutie en (dubbel-)huwelijken in een volks milieu. Dat was destijds een ongehoord realistische benadering, die onmiddellijk begrepen werd zoals bedoeld: als een spiegel voor de hogere standen die er al geen betere moraal op nahielden.

De schok, die dat inzicht veroorzaakte, hebben de sindsdien verlopen eeuwen wel verwerkt; vandaag vereist een enscenering dus op zijn minst een verrassende visie of een virtuoze uitvoering. En geen rommeltje, wat deze De Bedelaarsopera in alle opzichten is. Het spel is plat en vet, de dictie nageaapt van het volkstoneel, de decors (voornamelijk bestaand uit heen en weer geschoven doeken) zijn die van het middeleeuwse wagenspel en de rekwisieten vodden. De aardige live uitgevoerde muziek van Ron Ford begeleidt door acteurs uitgevoerde en dus amateuristische zang en dans, met veel geklets op dijen en achtersten en doldrieste valpartijen.

Parodiërende kracht heeft het geheel niet, het is hersen- en risicoloos vermaak. Typerend zijn de vrijpartijen. Als Macheath, de louche Don Juan in het stuk, zich weer eens vergrijpt aan een vrouw, tilt hij slechts een van haar vele rokken op en mimet de rest. Dat is geen stilering, dat is gebrek aan fantasie. En een beproeving.