Skoda verkeert op voet van oorlog met Volkswagen

PRAAG, 16 DEC. De sfeer tussen Volkswagen en de Tsjechische regering is grondig bedorven. De plannen om de investeringen in de Tsjechische autofabriek Skoda automobilová in Mladá Boleslav uit te breiden, zijn opnieuw fors teruggeschroefd.

De eerste tekenen van het conflict tussen de twee aandeelhouders van Skoda kwamen op 16 september, vlak voor het ondertekenen van een bankkrediet van 1,4 miljard D-mark. Volkswagen, dat 31 procent van de Skoda-aandelen bezit, liet toen doodleuk weten dat het afzag van het lenen van zoveel geld op de kapitaalmarkt - bij het bankconsortium waren vijftig banken betrokken - omdat al dat geld “niet zo nodig is”.

Begin deze maand kwam daar nog eens de mededeling overheen dat de investering van 8 miljard DM die op het programma stond voor de rest van dit decennium teruggedraaid wordt naar 3,75 miljard DM. Achtergrond daarvan was dat Volkswagen voorlopig wil afzien van de bouw van een nieuwe fabriek in Tsjechië voor de produktie van motoren bestemd voor modellen van Volkswagen, Audi, Seat en Skoda.

Voor de Tsjechische regering, nog steeds de meerderheidsaandeelhouder van Skoda, was de maat toen vol. In september waren de commentaren van officiële zijde nog uiterst begripvol en welwillend geweest. Ferdinand Piëch, voorzitter van de raad van bestuur van Volkswagen, had premier Václav Klaus niet alleen opgebeld om hem de beslissing mee te delen, hij kwam ook nog hoogstpersoonlijk naar Praag om het de minister van industrie en handel, Vladimr Dlouhý, en Tomás Jezek, voorzitter van het fonds voor nationaal bezit, allemaal haarfijn uit te leggen.

Maar deze maand is de stemming aan Tsjechische kant volledig omgeslagen. In een open brief, gepubliceerd in het Engelstalige weekblad Central European Business Weekly, zegt minister Dlouhý onomwonden dat “als VW niet handelt in het belang van Skoda, wij ons gaan gedragen als een meerderheidsaandeelhouder”.

Wat dat precies betekent is nog niet helemaal duidelijk. Natuurlijk, de Tsjechische staat heeft, via het fonds voor nationaal bezit, nog 69 procent van de aandelen in bezit. Maar dat pakket zou, als alle investeringen waren doorgegaan, in de loop van het decennium zijn teruggelopen tot dertig procent. De Tsjechische regering lijkt evenwel niet de expertise in huis te hebben om een miljardenconcern als Volkswagen te vertellen wat het met zijn Tsjechische dochter moet doen. Wel zou de Tsjechische regering kunnen besluiten de hoge tariefmuren (19 procent) die voor de invoer van buitenlandse auto's gelden die niet in de EG zijn vervaardigd, vervroegd, dat wil zeggen vóór 1995, neer te halen.

Vrijdag komen de hoofdrolspelers in het drama bijeen in het Beierse Ingolstadt, de plaats vanwaaruit Tsjechië, als de Beierse regering niet al te veel dwarsligt over de Sudetenduitse kwestie, in de toekomst via een aan te leggen pijpleiding zijn olie hoopt te betrekken.

Dlouhý, Jezek, Piëch en J. Ignacio Lopez de Arriortua hebben een volle agenda: eerst een ronde politieke onderhandelingen en daarna een werkbespreking op het niveau van experts. De Tsjechische minister van industrie en handel vindt dat de oorspronkelijke overeenkomst tussen Volkswagen en de Tsjechische regering, die op 16 april 1991 is getekend, op z'n minst moet worden geamendeerd. In die tijd waren er immers nog meer autofabrikanten die belangstelling hadden voor Skoda: aanbiedingen van Renault bijvoorbeeld sloeg de Tsjechische regering uiteindelijk af, omdat het Volkswagen-pakket aantrekkelijker leek. Het bod van VW betrof 1,4 miljard DM voor een aandeel van 31 procent in Skoda, de bouw van een nieuwe motorenfabriek ten noorden van Mladá Boleslav, ontwikkeling van een nieuw model als opvolger van de Golf, verdubbeling van de produktie tot 450.000 auto's per jaar, al met al een investering van zo'n negen miljard DM. “Ze hebben iets aangeboden dat de regering deed besluiten met Volkswagen in zee te gaan en niet met Renault. En nu komen ze daar van terug”, zo klaagde kortgeleden de woordvoerder van minister Dlouhý.

De minister zelf probeert de kwestie zo genuanceerd en zakelijk mogelijk te bekijken. “Ik weet dat de situatie in de auto-industrie anders is dan drie jaar geleden, maar dat zou geen reden voor Volkswagen moeten zijn zich te misdragen”, zegt de minister in zijn open brief.

De verlangens van de Tsjechen bij de onderhandelingen in Ingolstadt zullen er waarschijnlijk op neerkomen dat de motorenfabriek wordt opgezet en dat in de handel tussen VW en Skoda meer rekening wordt gehouden met de prijzen op de markt. Zoals Dlouhý in zijn brief zegt: “De winst van Skoda kan niet laag worden gehouden ten voordele van VW. (...) We kunnen niet negeren dat VW de neiging heeft zijn problemen op te lossen ten detrimente van Skoda.” Of, zoals een Tsjechische krant ooit kopte: “VW bespaart op onze kosten”.

Hiermee lijkt de toon van de komende onderhandelingen gezet: Dlouhý zal het zich tegenover het Tsjechische publiek niet kunnen veroorloven al te meegaand jegens de Duitsers te zijn. Skoda is tenslotte het enige onderdeel van het concern waar op het ogenblik nog winst wordt gemaakt. Naar verwachting zal die dit jaar flink boven de 60 miljoen DM van vorig jaar uitkomen. De Duitsers zullen er van hun kant dus alles aan moeten doen om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat goedkope Tsjechische werknemers worden misbruikt om de veel duurdere arbeiders in hun vaderland tevreden te houden. Want daarop is de historisch al zo zwaar belaste verhouding tussen Duitsers en Tsjechen niet berekend.