Planten en dieren mogen niet uit museumwereld geweerd worden

Het ministerie van WVC twijfelt: zijn plante- en dierentuinen musea of niet? Een belangrijke vraag, want als ze niet tot de museumwereld worden gerekend verminderen de subsidiemogelijkheden en wordt de band tussen de levende en de dode natuur doorgeknipt.

Bravo- en boegeroep zullen gisteren uit de museumwereld zijn opgeklonken na het omslaan van de voorpagina van deze krant. Daar prijkte in volle glorie de collectie uitheemse planten van de Oranjes, uitgestald in Rijksmuseum Paleis Het Loo. Een lévende collectie. Is dat wel zuivere koffie? De Nederlandse Museumvereniging (NMV) en het ministerie van WVC vragen zich op dit ogenblik af of botanische en zoölogische tuinen wel musea zijn. Dat kan ernstige consequenties hebben. Als de NMV de tuinen uitsluit valt de mogelijkheid weg dat te doen onder de paraplu van de door het ministerie van WVC begunstigde het veld vertegenwoordigende instantie. Dat zou bar ongelukkig zijn, want dan bestaat het risico dat WVC de tuinen niet langer als subsidiabele instellingen beschouwt en dat ook in zijn instructies aan de Mondriaan Stichting (waaraan onlangs de uitvoering van het beleid inzake de subsidiëring van museale projecten werd overgedragen) opneemt. Dat zou de tuinen dan afsnijden van de mogelijkheid rijkssubsidies te krijgen.

Een museum is “een permanente instelling, in dienst van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie of genoegen”. Zo luidt de definitie van de International Council of Museums (ICOM).

“Materiële getuigenissen” dus: wat wordt verworven, behouden, onderzocht en uitgestald moet authentiek en tastbaar zijn. Het kan door de mens zelf zijn gemaakt, maar mag ook - op eigen houtje ontstaan - hem omringen. Die laatste categorie, de “materiële getuigenissen van de omgeving van de mens”, is het verzamelgebied van de natuurhistorische musea: gesteenten en mineralen, fossielen, planten en dieren.

Voor de gesteenten, mineralen en fossielen is daarmee de kous af. Ze verschillen alleen in hun niet-menselijke herkomst van wat andere musea verzamelen. Planten en dieren zijn andere koek. De natuurhistorische musea in strikte zin verzamelen van die materiële getuigenissen alleen restanten. Planten worden geplet, gedroogd, tot bijna tweedimensionale mummies gereduceerd en in dozen opgeborgen. Dieren van enig formaat vergaat het nog slechter. Hebben ze museaal geluk dan worden ze in hun geheel 'op sap' bewaard, maar het gros wordt op botten en huid na weggegooid. De botten gaan in een doos of worden tot een skelet gereconstrueerd. De huiden worden opgerold of als een handschoen over een namaakbeest getrokken. Dan lijkt het resultaat nog op een dier, al is het dat even weinig als een etalagepop een mens is. Een museum met opgezette dieren is net een kostuummuseum.

Dat is verzamelen van materiële getuigenissen van de omgeving van de mens in een bar armzalige vorm. Het kan beter. Planten en dieren kunnen heel goed worden verworven, bewaard, bestudeerd en geëxposeerd zoals ze zijn: levend. Dat is de enig juiste manier, want zó maken ze deel uit van onze omgeving. Botanische en zoölogische tuinen, aquaria en vivaria zijn de enige natuurhistorische instellingen, die exact hetzelfde doen als andere musea: het bijeenbrengen enzovoorts van “materiële getuigenissen” in hun authentieke staat.

Flora en fauna behoren onlosmakelijk tot de leefomgeving van de mens. Samen met ons bewonen ze deze planeet, vaak ook huns ondanks. Zonder hen geen akker- en tuinbouw, geen vee, geen huis-, rij- en trekdieren, geen hout, linnen, wol, leer, aardappels, biefstuk, melk. Ik kom er dadelijk nog op terug. Maar: niets van dat alles zou er zijn zonder die ene eigenschap: het leven. Een museum dat de flora en fauna tot zijn verzamelgebied rekent, maar het meest wezenlijke kenmerk daarvan, dat léven, als onbeheerbaar element uit zijn programma bant, verzamelt géén planten of dieren, maar kadavers. Ook dan is er nog veel interessants en waardevols te verwerven, behouden, bestuderen en exposeren, maar het kan ook zoals het eigenlijk móet: in plantentuinen en dierentuinen, aquaria en vivaria. Dat zijn de ware botanische en zoölogische musea, mits ze ook aan de andere ICOM-criteria (permanentie; toegankelijkheid; geen winstbejag nastrevend; hun bezoekers naar behoren informerend) voldoen.

Er is ook nog de cultuurhistorische invalshoek. Sinds mensenheugenis zijn de planten- en dierenwereld ten nutte gemaakt: akker- en siergewassen, vee en huisdieren. Zijn molenstenen, bloemenvazen, zadels en gehaktmolens het behoud als cultuurrelicten meer waard dan de planten en dieren met wier lot voor ogen ze werden uitgevonden en geproduceerd? Natuurlijk niet. Maar ook die planten en dieren kunnen alleen in levende staat worden behouden, net als de wilde plante- en diersoorten die door ons eigen toedoen in rap tempo verdwijnen. Ook hun behoud - een bij uitstek culturele handeling - is alleen mogelijk als we ze in leven houden, liefst waar ze thuishoren, maar als dat niet kan onder permanent toezicht en goeddeels kunstmatige condities: in tuinen, aquaria en vivaria. Dat zouden geen musea zijn?

Waarom toch dat geharrewar?

Het zal wel hierom gaan: traditioneel-museaal is een verworven object, een bezit voor eeuwig. Een plant of een dier is dat niet. Die gaan ooit dood. Wie ze verzamelt kán dus niet echt-museaal bezig zijn. Die redenering gaat voorbij aan het feit dat levende 'objecten' zichzelf kunnen reproduceren. In een goed beheerde collectie gebeurt dat. Het zou handig zijn als verblekende prenten, verterende wandtapijten of verroestende oude auto's dat ook deden. Is het dus jaloezie, waardoor de museumstatus van plantentuinen, dierentuinen, aquaria en vivaria in twijfel wordt getrokken? Natuurlijk niet, maar wel een niet vertrouwd zijn met de bij musea van levende organismen enig mogelijke vorm van continuïteit van hun collecties: permanente verjonging, het feit dat hun 'objecten' eigenschappen hebben die bij andere museumvoorwerpen alleen de makers ervan bezitten: het leven, dat ervoor zorgt dat hun kenmerken zich in hun nageslacht voortzetten.