Open Haringvliet redding voor Noordse woelmuis

Het gaat niet goed met de reus onder de Nederlandse woelmuizen. De Noordse woelmuis mag dan tot de grootste horen van de zes inheemse soorten, hij legt het af tegen zijn kleinere naaste verwanten als Aardmuis en Veldmuis. Verdroging is een belangrijke oorzaak van de achteruitgang, zo is de bevinding van bioloog drs V. Martens die deze zomer in opdracht van Rijkswaterstaat een onderzoek heeft uitgevoerd naar de verspreiding van het beestje in de Biesbosch, het Hollandsch Diep en het Haringvliet. De terugkeer van het getij - en dus het openzetten van de Haringvlietsluizen - kan de achteruitgang van de Noordse woelmuis tot staan brengen. In afwachting daarvan heeft de Noordse woelmuis de Sasseplaat in het Hollandsch Diep bevolkt, terwijl ook Tiengemeten een behoorlijke populatie huisvest.

De Noordse woelmuis hoort op de toendra thuis. Zijn belangrijkste verspreidingsgebied reikt van noordwest Amerika via het noorden van Azië tot in het noorden van Scandinavië. Tijdens de laatste IJstijd verschoof de toendrazone naar het zuiden en daarmee het areaal van de Noordse woelmuis. Maar na het afsmelten van het ijs en het terugtrekken van de vegetatiezones in noordelijke richting zijn in Europa restpopulaties achtergebleven. Voorbeelden daarvan zijn de oevers van de Neusiedlersee in Oostenrijk en het Balatonmeer in Hongarije, en verder het zuiden van Noorwegen en delen van Nederland.

'Binnen Nederland heeft Van Wijngaarden in de jaren zestig vier gebieden onderscheiden', vertelt Martens, 'Texel, de veengebieden van noordwest Overijssel en Friesland, het Hollands-Utrechtse veenweidegebied en de Delta.''

Toendraverleden

Door zijn toendraverleden is hij wat groter dan de andere woelmuizen in Nederland. (Binnen de woelmuizen komt de Noordse woelmuis qua grootte op de tweede plaats na de Woelrat, maar die heet dan ook niet voor niets 'rat'). Een biologisch wet stelt dat grotere dieren beter tegen kou kunnen dan kleinere. 'De Noordse woelmuis weegt inderdaad al gauw 10 tot 20 gram meer dan een aardmuis, veldmuis of rosse woelmuis.'' Martens zegt zelfs enkele exemplaren gevangen te hebben die meer dan 60 gram wogen. 'Wat hem verder onderscheidt, is dat zijn vacht donkerder van kleur is en zijn staart langer.''

Dat de Noordse woelmuis na de IJstijd in Nederland is blijven hangen, heeft met zijn voorkeur voor een bepaald habitat te maken: de aanwezigheid van terreinen met een hoge of wisselende waterstand, gecombineerd met een goed ontwikkelde hoge kruidenvegetatie.

'Een gebied als de Biesbosch was ideaal voor de Noordse woelmuis'', vervolgt Martens. 'Maar de laatste twintig jaar gaat het duidelijk minder goed'. Het wegvallen van het getij, in 1970, is daarvoor verantwoordelijk. Sindsdien is de Biesbosch aantrekkelijker geworden voor muizensoorten die niet van hoog water gediend zijn. 'Waar Aardmuis en Veldmuis zich vertonen, houdt de Noordse woelmuis het voor gezien.''

Een mooi voorbeeld daarvan vormt Noord-Beveland. Martens: 'Vóór de Deltawerken kwam er alleen de Noordse woelmuis voor. Maar toen de Veerse dam en de Zandkreekdam klaar waren, rukte de Veldmuis op en nu is de Noordse woelmuis zeldzaam op Noord-Beveland.'

De reden daarvoor is volgens Martens niet eenvoudig te geven. 'Het kan door concurrentie komen. Dat onderdeel heb ik niet onderzocht, maar misschien staan er veel dezelfde dingen op het menu en kunnen ze elkaars aanwezigheid daarom niet velen.' Dat de grote Noordse woelmuis zich laat verjagen door kleinere soorten, verklaart Martens met een verwijzing naar het sociale gedrag. 'Aard- en veldmuizen leven in groepen, de Noordse woelmuis leeft meer solitair. Dat kan een verklaring zijn.''

Op Texel dreigt eenzelfde ontwikkeling als op Noord-Beveland. 'Tot voor kort had de Noordse woelmuis er het rijk alleen. Nu er ook Aardmuizen zijn waargenomen, zou ook daar de Noordse woelmuis op zijn retour kunnen zijn, hoewel dat nu nog niet het geval is.''

Omdat de populatie in Friesland en Overijssel volgens Martens zo goed als uitgestorven is, blijven het Holland-Utrechtse veenweidegebied, de Biesbosch en het noordelijk deel van de Zeeuwse delta als laatste gebieden over.

In de Biesbosch heeft Martens de meeste Noordse woelmuizen gevangen op plaatsen die het sterkst zijn blootgesteld aan wind en getij: langs brede kreken en de Nieuwe Merwede, de rivier die de Biesbosch in een Brabants en Hollands deel scheidt. Rietgorzen die verruigd zijn en waar opslag van vlier heeft plaatsgevonden, blijken al bevolkt door Aardmuis en Rosse woelmuis.

Bovendien gaat het in de Biesbosch om kleine, onderling geïsoleerde populaties, die volgens Martens de kans lopen uit te sterven. 'Als dat gebeurt, is de kans klein dat zo'n plek opnieuw wordt bevolkt door muizen van een nabijgelegen populatie. De kans op rekolonisatie neemt sterk af, als de afstand groter is dan een kilometer.''

Anderzijds heeft Martens Noordse woelmuizen aangetroffen op plaatsen waar ze nog niet eerder waren gesignaleerd. 'Bijvoorbeeld op de Sasseplaat, een plaat in het Hollandsch Diep ter hoogte van het industrieterrein Moerdijk.'' Op de Sasseplaat moeten ze zwemmend gekomen zijn, wat volgens Martens heel goed mogelijk is. 'Zwemmen is geen probleem voor ze. Maar het is ook bekend dat ze zich op rieteilandjes met de stroom mee laten drijven.''

Verreweg de meeste Noordse woelmuizen heeft hij op Tiengemeten, een eiland in het Haringvliet, gevangen. 'Vijfenzeventig vangsten in drie dagen tijd. In honderd vallen, die stonden opgesteld op de Blanke Slikken, het buitendijkse deel van het eiland.'' Dat aantal verraste hem, omdat hij nergens anders zoveel muizen heeft gevangen. 'Het was wel bekend, dat ze er voorkwamen. Sporadisch is er wel eens eentje gevangen, maar niemand heeft ooit zo intensief achter ze aan gezeten.''

Een paradijs voor de Noordse woelmuis wil Martens Tiengemeten niet noemen. Want ook hier dreigt er onheil, zij het niet van concurrent-muizen. Op Tiengemeten vormen veranderingen in de vegetatie een bedreiging. Martens: 'De Blanke Slikken geven de laatste jaren een enorme opslag en uitbreiding van late guldenroede te zien. Deze plant is een exoot uit Noord-Amerika en mag dan de slikken in augustus in een mooie gele gloed zetten, de Noordse woelmuis is er niet van gediend. Waar guldenroede groeit, heb ik er nauwelijks een gevangen.''

Het vangen gebeurde met behulp van 'life-traps', vallen die het dier niet doden of verwonden. Een mengsel van havermout, wortel en appel verleidde de muizen ertoe de val binnen te lopen. Martens merkte ze door een klein stukje uit hun vacht te knippen, woog ze en liet ze dan weer los. Sommige muizen belandden verscheidene keren in de val.

De conclusie die Martens uit zijn onderzoek trekt, is dat de Noordse woelmuis zich terugtrekt op de vochtige plaatsen. 'Alleen door het getijverschil te vergroten, kan worden voorkomen dat de Noordse woelmuis op den duur uitsterft in de Biesbosch. Maar of alleen om die reden de Haringvlietsluizen opengezet zullen worden, waag ik te betwijfelen.''

Rijkswaterstaat zal de uitkomsten van Martens' onderzoek betrekken bij de afweging of de Haringvlietsluizen kunnen worden opengezet. 'Maar ook los daarvan is dit onderzoek nuttig', vertelt drs. J.P. Al, hoofd afdeling Watersysteemkennis van de directie Zuid-Holland van Rijkswaterstaat. 'Het geeft ons informatie die we bij onze projecten voor milieuvriendelijke oevers kunnen gebruiken.''