Onderzoek naar podiumkunstinstellingen; 'Vijftien procent eigen inkomsten haalbaar'

AMSTERDAM, 16 DEC. Het grootste deel van de podiumkunstinstellingen is uitstekend in staat om vijftien procent eigen inkomsten te verwerven. Tot die conclusie komt het onderzoeks-adviesbureau Berenschot na een onderzoek dat volgde op de behandeling in het parlement van minister d'Ancona's Cultuurnota.

In die nota kondigde de bewindsvrouwe aan dat de gesubsidieerde podiumkunstinstellingen tenminste vijftien procent van de exploitatie zelf moesten kunnen verdienen, in plaats van volledig te varen op overheidssubsidies. De minister wilde daarmee de culturele sector stimuleren meer bezoekers te trekken, de inkomsten te vergroten en tegelijkertijd de afhankelijkheid van subsidies te verkleinen.

Zesentwintig gezelschappen protesteerden tegen het voornemen en beweerden dat de norm voor hen niet haalbaar was. Berenschot is het daarmee niet eens. Wel adviseert het bureau de norm geleidelijk in te voeren bij een aantal instellingen en die te verlagen of zelfs geheel achterwege te laten bij een klein aantal gezelschappen.

De protesten waren vooral afkomstig uit de toneelhoek. Berenschot erkent dat het in deze sector moeilijk is om meer publiek en daarmee meer eigen inkomsten te krijgen. Uit het rapport blijkt ook dat de gezelschappen die de norm wèl halen, dat op andere manieren doen dan met het aantrekken van meer publiek. Bovendien zijn de mogelijkheden voor de gezelschappen om meer publiek te trekken beperkt, omdat ze afhankelijk zijn van de theaters.

Een voorbeeld van nauwe samenwerking tussen gezelschappen en theaters valt te zien in Arnhem en Eindhoven, waar met steun van WVC en de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecteuren het zogenaamde “Proeftuinproject” is gestart. Dat is erop gericht om door middel van onderzoek en inzet van marketingtechnieken meer publiek te trekken.

Volgens de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen doen de gezelschappen in Nederland het vergeleken bij de ons omringende landen al niet slecht. In Duitsland en Engeland is sprake van een daling van het aantal bezoekers. In Nederland was de ontwikkeling tot nu toe gunstiger. De VNT-gezelschappen trokken 13 procent meer publiek in het seizoen 1992-1993, dan in het jaar ervoor. De gemiddelde zaalbezetting voor het hele gesubsidieerde toneel kwam daarmee op 67,5 procent. In Engeland is dat volgens de VNT 57 en in Duitsland 67 procent.