Omstreden neonazifilm in Nederland goed ontvangen

AMSTERDAM, 16 DEC. De omstreden Duitse documentaire Beruf Neonazi van Winfried Bonengel is in Nederland, anders dan in Duitsland, met instemming ontvangen. In de Duitse deelstaat Hessen is de documentaire over een neonazileider verboden, omdat de film kritiekloos antisemitisch zou zijn.

Ondanks de aanwezigheid van enkele demonstranten in de hal van De Balie in Amsterdam en een tegen de vertoning ingediende strafklacht van de Stichting Bestrijding Antisemitisme (STIBA) en het Nederlands-Israelitisch Kerkgenootschap ging de Nederlandse première gisteravond gewoon door. Regisseur Bonengel was aanwezig bij het evenement, georganiseerd door de nieuwe stichting Film Free en het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA).

Na afloop bleek geen van de aanwezigen overwegende bezwaren naar voren te kunnen brengen tegen het vertonen van de film. Verscheidene kijkers zeiden dat de documentaire een nuttige functie zou kunnen vervullen als waarschuwing tegen de opkomst van nieuwe vormen van rassenwaan, die zich veelal opvallend precies manifesteren langs de lijnen van het oude nationaal-socialisme.

Ook Ronny Naftaniël van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israel (CIDI) sprak zijn waardering uit voor de film, al kon hij zich ook voorstellen dat het effect averechts zou kunnen zijn voor een niet goed geïnformeerd publiek. Vertoning op televisie zou een heel nieuwe discussie vereisen.

Regisseur Bonengel toonde zich zeer verheugd over de reacties van het Nederlandse publiek en de mogelijkheid om in alle openheid van gedachten te wisselen over de verdiensten en mogelijke effecten van zijn film. In Duitsland is dat inmiddels niet meer mogelijk. De distributeur heeft besloten de film voorlopig terug te trekken, totdat de gemoederen weer enigszins bedaard zijn.

Volgens Bonengel waren de reacties op Beruf Neonazi na de première in Potsdam aanvankelijk uitsluitend positief. Pas na de publikatie van een zeer negatief artikel in Der Spiegel en een eveneens weinig vleiende, aan de documentaire gewijde uitzending op het eerste publieke televisienet ontstond er een golf van verontwaardiging, met name in de joodse gemeenschap. Als reactie daarop zou, nog steeds volgens de regisseur, nu ook in rechts-radicale kring de film heel goed ontvangen zijn, hoewel zijn hoofdpersoon aanvankelijk weinig te spreken was over het resultaat.

Dat laatste verbaast Bonengel minder dan de verontwaardiging van de antiracisten. Zijn portret van de neonazist Ewald Althans werd gemaakt met de bedoeling aan te tonen dat diens activiteiten deel uitmaken van een internationaal vertakt, goed georganiseerd netwerk.

Pag.9: Film toont onmacht van rede

Neo-nazistische verschijnselen horen dus niet thuis in de categorie toevallige incidenten. De theorie van Althans is dat de werkloze jongeren, met name in de voormalige DDR, 'een kneedbare massa' vormen, die als het ware wacht op strakke leiding en mobilisatie. In de ijzingwekkende slotscène, opgenomen tijdens een bijeenkomst in Cottbus, laat Althans zien dat hij het retorische talent van Hitler goed bestudeerd heeft, hetgeen beloond wordt met een laaiend applaus. Hij ziet zichzelf vooral als een soort Heydrich, 'een harde, Pruisische generaal' die de massa klaar maakt voor hernieuwde trots op het vaderland. Althans bepleit een orthodox nationaal-socialisme, dat zich uitsluitend baseert op geschriften en ideeën van voor 1945, met name Mein Kampf en de boeken van Alfred Rosenberg.

Om de ironie en de verbijstering in Bonengels portret niet op te merken, moet een publiek wel heel slecht op de hoogte zijn van de recente Duitse geschiedenis. De meest omstreden scène is ook de mooiste. In een van de gaskamers van Auschwitz schreeuwt de hoofdpersoon de daar toevallig aanwezige toeristen toe dat ze niets moeten geloven van de leugens over de 'holocaust'. Bij de meesten valt de mond open van verbazing, net als bij de toeschouwer, en zij weten dan ook niets terug te zeggen. Slechts een jonge Amerikaan gaat de confrontatie aan, maar heeft ook niet direct de juiste argumenten bij de hand. Zo wordt ook de kijker geconfronteerd met de vraag wat hij in deze situatie zou doen. Als de Amerikaan ten slotte Althans verzoekt zijn zonnebril af te doen en hem recht in de ogen kijken, komt die vraag bijna als het verlossende woord.

In de discussie rond de openbare vertoning van Beruf Neonazi wordt wel geponeerd dat je rabiaat anti-semitisme alleen mag laten zien als het in dezelfde film weersproken wordt. Niemand zal daarmee kunnen bedoelen dat revisionistische opvattingen voorzien moeten worden van een balkje met de woorden: “Dit zijn leugens”. Niet alleen spreekt Althans zichzelf tegen door bij zijn vertrek uit Auschwitz te zeggen dat ze alle vliegen en luizen hier zouden moeten vergassen, ook wordt hij openlijk gecorrigeerd door zijn eigen ouders. Ze typeren hun zoon, in zijn aanwezigheid, als iemand die altijd, als kind al, een pathologische behoefte had de aandacht op zich te vestigen, bij voorbeeld door te stampvoeten en met zijn tanden te klapperen. Hij komt dan ook uit de film naar voren als een gevaarlijke, charismatische gek, die meer aanhangers trekt dan je verwachten zou.

Er lijkt weinig in te brengen tegen het vertonen van een documentaire die het mechanisme van zijn succes bloot legt. Een gewaarschuwd mens telt voor twee, zeker wanneer een film er zo goed in slaagt de overeenkomsten met de opkomst van Hitler, de internationale vertakkingen van zijn beweging en de machteloosheid van de rede in een tijdperk dat alle normen en waarden ter discussie stelt begrijpelijk en voelbaar te maken.

Een vertoningsverbod van Beruf Neonazi kan slechts duiden op kortzichtigheid of, in het geval van Duitsland, op een door angst ingegeven behoefte tot hypercorrectie. Dat de neo-nazi's, ook in de film, zich het hardst beroepen op de vrijheid van meningsuiting is pijnlijk, maar wijst er ook op dat het heel onverstandig zou zijn om martelaren van hen te maken. Men kan begrip hebben voor de overgevoeligheid van sommige slachtoffers van het nazisme en hun nabestaanden voor met name de Auschwitz-scènes, en tegelijkertijd met kracht pleiten voor een brede vertoning van Bonengels film. Die zou over genoeg kwaliteit beschikken om opgenomen te worden in het competitieprogramma van het Amsterdamse documentairefestival. Nu dat niet gebeurd was, lijkt de vertoning door Film Free, die liever de (zelf)censuur in onze eigen wereld aan de orde wilde stellen dan de bedreiging van filmmakers in verre, verdachte politieke systemen, een heel goed idee te zijn geweest.

HANS BEEREKAMP