Naar een Ierse verzoening

DE GEZAMENLIJKE verklaring van de Britse en Ierse premiers over de toekomst van Noord-Ierland is getoonzet als een boodschap 'aan alle mensen van goede wil'. Het document zoekt de oplossing van het conflict in een Ierse hereniging, maar is voldoende vaag over de weg ernaar toe om de vreesachtigen niet onmiddellijk de stuipen op het lijf te jagen. Hoewel de IRA, het Ierse republikeinse leger, de afgelopen weken als partner van de Britse regering in geheime onderhandelingen in het brandpunt van de belangstelling heeft gestaan, is de jongste verklaring maar zijdelings aan zijn adres gericht. Veeleer is het een oproep aan de protestantse unionistische meerderheid in Ulster om toch eens te gaan nadenken over een losser maken van de banden met het Verenigd Koninkrijk en over toenadering tot de Ierse republiek.

Om het protestantse extremisme niet meteen een kans voor open doel te geven onderstrepen beide regeringsleiders, Taoiseach Albert Reynolds met nog meer nadruk dan John Major, dat iedere verandering in de status van Noord-Ierland afhankelijk is van de instemming van de bevolking daar, van de unionistische meerderheid dus. Maar na het verstrekken van die garantie laat de Britse premier er geen misverstand over bestaan dat in Groot-Brittannië bij een eventueel afscheid van Ulster geen traan zal worden gelaten. Na 25 jaar vergeefs te hebben geprobeerd met militaire, politieke en financiële middelen de kloof in Ulster te overbruggen en na 20 jaar lang samen met de Ierse regering op zoek te zijn geweest naar een oplossing, zijn de Britten het meer dan zat.

VAN ZIJN KANT heeft de Ierse premier de Noordierse protestanten getracht gerust te stellen. Als er iets is dat hun in de Ierse staat niet bevalt, als zij vrezen dat hun rechten zouden worden aangetast, kan daarover worden gepraat. Met zoveel woorden lijkt de Ulster-protestanten een aanbod te worden gedaan om mee te werken aan een herschepping van de Ierse republiek. Of deze offerte in de praktijk veel zal betekenen, hangt in beslissende mate af van het vermogen van de Ierse politiek om de invloed van de zeer conservatieve rooms-katholieke clerus te temperen. De verwijzing naar de Europese Unie als samenbindend element klinkt uit Britse mond intussen nogal opportunistisch.

IN DE VERKLARING ontbreekt enige verduidelijking wat betreft het politieke instrumentarium en het tijdsverloop dat nodig is om het doel van een verzoening te bereiken. Het ziet er naar uit dat in de praktijk de politieke energie zich voorlopig vooral zal richten op beëindiging van het terrorisme van de IRA, in de hoop dat dan ook de protestantse gewelddadigheid zal afnemen.

Een toestand waarin geen schot meer valt en geen bom meer ontploft, zal voorlopig wel een illusie blijven. De - in de gezamenlijke verklaring in algemene termen aangeduide - Britse voorwaarde dat de IRA gedurende drie maanden zijn vredeswil op overtuigende wijze moet hebben bewezen, alvorens zijn politieke vertegenwoordiging Sinn Féin aan de onderhandelingstafel kan verschijnen, is tegen de achtergrond van de diepe frustratie aan protestantse kant begrijpelijk. Maar de les van vergelijkbare situaties elders in de wereld is dat geweld en onderhandelen samengaan. De Britse diplomatie kan daarover meepraten.