MOERASSIC PARK; Wateroverlast in het Vondelpark

Het Vondelpark is zonder twijfel het bekendste en drukst bezochte park van Nederland. Voor veel Amsterdammers fungeert het als een publieke achtertuin waarin men kan wandelen, in de zon zitten, voetballen of de hond uitlaten.

Het park wordt echter bedreigd door wateroverlast als gevolg van bodemdaling. Plassen blijven lang staan en sommige delen van het park lopen na zware regenval zelfs geheel onder. Vaak zijn de gazons langdurig drassig en bomen sterven door verstikking van hun wortels.

Hoewel tegenwoordig de trend bestaat om 'de natuur zijn gang te laten gaan' is dit voor het Vondelpark geen goed uitgangspunt. Daarom zijn in de loop van de tijd enkele parkrenovaties uitgevoerd. Bodemdaling en wateroverlast blijven evenwel een bedreiging vormen, en om het park in zijn huidige vorm te doen voortbestaan, moet binnen afzienbare tijd een oplossing gevonden worden.

Geschiedenis

In de periode van 1865 tot 1867 vond de aanleg van het Vondelpark plaats op basis van particulier initiatief van de 'Vereeniging tot aanleg van een Rij- en wandelpark te Amsterdam' in de toenmalige Binnendijksche Buitenveldersche polder. Dit onder leiding van de architecten J.D. en L.P. Zocher.

Sindsdien is de omgeving van het park langzamerhand volgebouwd, waarbij delen bouwgrond verkocht zijn om de investeringen in het park te kunnen bekostigen. De omgeving is bij het bouwrijp maken ca. 2 meter opgehoogd, maar in het park zelf heeft men dit nagelaten. In 1953 heeft de 'Vereeniging' het beheer overgedragen aan de gemeente Amsterdam.

Het park heeft altijd al een lage ligging gehad. Van meet af aan moest met behulp van een gemaal het oude polderpeil gehandhaafd worden. In deze situatie ontstond een toestroming van grondwater vanuit de hoger gelegen bebouwde delen in de richting van het park. Om dit te ondervangen heeft men in de omgeving een polderriool aangelegd dat de drainerende werking van de oude poldersloten over moest nemen. Dit systeem bestaat en functioneert nog steeds.

De ondergrond van het Vondelpark bestaat uit een veenpakket met een gemiddelde dikte van ca. 2.3 meter met daaronder gelegen een pakket zeer slecht doorlatende klei. Een dergelijke ondergrond is van nature vrij drassig en wordt daarom uitgebreid gedraineerd. Delen van het park die begroeid zijn met bomen zijn echter niet voorzien van een drainagestelsel, omdat ze te gevoelig zijn voor verstoppingen, beschadigingen door wortels en dergelijke.

Om toch tot een voldoende drooglegging te komen is in de loop der tijd het peil van het in onderlinge verbinding staande stelsel van vijvers en slootjes steeds verder omlaag gebracht. Van het oude polderpeil van -1.9 m. t.o.v. Normaal Amsterdams Peil (NAP) in 1865 naar -2,1 m. NAP in 1912 tot het huidige peil van -2,46 m. NAP.

Veraarding van veen

Het steeds verder verlagen van het vijverpeil, in combinatie met herhaalde ophogingen, was noodzakelijk vanwege veraarding van het veen dat in de bovenste 3 meter aanwezig is. Dit ging gepaard met een sterke afname van het volume. Bij veraarding wordt het organisch materiaal waaruit het veen bestaat geoxydeerd, en weer omgezet in de oorspronkelijke stoffen kooldyoxide (dat de lucht ingaat) en water (dat wordt afgemalen). Dit proces verloopt veel trager wanneer het veen permanent onder water blijft.

Door de veraarding daalt het maaiveld. Een verdere verlaging van het vijverpeil brengt, naast een vergroting van de zijdelingse toestroming ook met zich mee, dat in de omgeving de grondwaterstand zal dalen. Hierbij kunnen mogelijk de funderingen van bouwwerken in de nabije omgeving worden aangetast.

De zijdelingse toestroming wordt voor het overgrote deel gevoed door de omliggende waterlopen, zoals Jacob van Lennepkanaal, Singelgracht, Boeren Wetering, Noorder Amstelkanaal en Schinkel. Er bestaat tussen dit open vaarwater en het vijverstelsel van het Vondelpark een peilverschil van meer dan 2 meter. Voor een klein deel vindt voeding plaats door neerslag in tuinen en op met klinkers bestrate wegen e.d. De hoeveelheid water die het gemaal in het park moet afvoeren om het vijverpeil gedurende de wintermaanden op -2,46 m. NAP te houden, bestaat voor 30 tot 60% uit toegestroomd grondwater vanuit de omgeving. Het eerste percentage heeft betrekking op maanden met zeer veel neerslag, het tweede op maanden met zeer weinig neerslag.

In de zomermaanden daarentegen is de verdamping zo groot dat er zelfs extra water wordt binnengelaten vanuit de Singelgracht om het vijverstelsel door te spoelen. Gedurende de winter en het voorjaar zorgt de zijdelingse toestroom vanuit de omgeving voor veel wateroverlast in het park. Vooral de bomen langs de rand van het park hebben hier ernstig van te lijden, omdat hun wortels afsterven wanneer de grond waarin zij zich bevinden te nat wordt.

Verzadigd

De bodem van het Vondelpark daalt sneller dan de omgeving, waar hoofdzakelijk zand aan het oppervlak ligt, en het veen zich permanent onder de grondwaterspiegel bevindt. Op deze wijze komt het park dus steeds lager te liggen ten opzichte van de omgeving. De wateroverlast neemt hierdoor ook steeds meer toe.

De bodemdaling is niet overal even sterk. In de gebieden waar de wateroverlast groot is door de aanvoer van grondwater uit de omgeving, is het veenpakket bijna altijd zo goed als geheel verzadigd. De omzetting onder invloed van lucht en het organisch materiaal krijgt dan minder kans om op te treden. Dit zijn dan ook de gebieden die het minst snel dalen. Het omgekeerde is van toepassing op de delen van het park die weinig of geen overlast ondervinden van toestromend grondwater uit de omgeving zoals gebieden die omringd zijn door delen van het vijversysteem. Het toestromend grondwater wordt dan onderschept door het vijversysteem. Gedurende de zomerperiode, wanneer de hoeveelheid neerslag gering en de verdamping groot is, wordt het veenpakket daar tot op aanzienlijke diepte belucht, met als gevolg van een versnelde bodemdaling.

Uit dalings- en zettingsonderzoek (zetting treedt op bij het toebrengen van een extra belasting door b.v. een ophogingslaag) over een periode van 6 jaar, is gebleken dat in de relatief drogere gebieden de bodemdaling ongeveer 6 mm per jaar bedraagt, hetgeen ongeveer 2 keer meer is dan over het Vondelpark in zijn geheel.

Oplossingen

In de loop der tijd zijn enkele ideeën geopperd om de vernatting van het park te verminderen. Van de ideeën is het plaatsen van een ondoorlatende damwand langs de rand van het park het meest tot de verbeelding sprekende. Uitgevoerd werden al verlagingen van het vijverpeil en beperkte, periodieke ophogingen.

Plaatsing van een ondoorlatende damwand in combinatie met een forse peilverlaging is niet zo'n eenvoudige en elegante oplossing als op het eerste gezicht lijkt. Allereerst levert dit grote problemen op voor de wijde omgeving, omdat de grondwaterstand sterk zal stijgen tot rond het stadspeil van -0,4 meter NAP. Dit is voor een groot deel van de omgeving onaanvaardbaar, omdat dit onder water zou komen te staan. Aanvullende drainage zal daarom noodzakelijk zijn om dit effect weer teniet te doen.

Een andere mogelijkheid is het fors verlagen van het vijverpeil. Dit heeft tot gevolg dat het hele park een versnelde bodemdaling te zien zal geven. Na verloop van tijd is een nieuwe peilverlaging dan weer noodzakelijk enzovoort. Dit proces houdt op als alle veen veraard is en het onderliggende zand aan het daglicht komt. Het park moet dan nog ca. 2 meter verder dalen.

De peilverlaging die in het verleden enkele malen werd uitgevoerd heeft al geleid tot een gemiddelde bodemdaling voor het gehele park van 0,3 meter ten opzichte van de omgeving, hetgeen een sterk argument is om niet opnieuw naar dit middel te grijpen. Een extra probleem hierbij wordt gevormd door de mogelijke aantasting van funderingen op houten palen van bouwwerken in de naaste omgeving.

Beperkte periodieke ophogingen zijn eveneens uitgevoerd. Daar het park echter sneller daalt dan de omgeving levert het opbrengen van een ophogingslaag van 0,2 meter op de snelst dalende delen, met inbegrip van optredende zetting, slechts gedurende een periode van ongeveer 25 jaar een verbetering ten opzichte van de beginsituatie op. De uitvoering hiervan gaat ook alleen, met beperkte schade, op voor de gazons. Voor bomen leidt het tot onherroepelijke schade.

Een bescheidenere en betere variant hierop is het jaarlijks ophogen met een dun laagje zand van 1 à 2 cm. Gras groeit hier makkelijk doorheen en voor het wortelstelsel van bomen is het ook niet dodelijk. De bodemdaling wordt hiermee gecompenseerd en zelfs overtroffen, zodat op lange termijn een verbetering van de toestand bereikt wordt.

Om echter tot een afdoende bestrijding van het dalingsverschil tussen het park en de omgeving te komen is het noodzakelijk de verdere veraarding van het veen te voorkomen. Dit is eigenlijk alleen mogelijk door het vijverpeil te verhogen tot het niveau van het veen in de bodem en het park op te hogen tot het niveau van de omgeving. Het vijverpeil moet daartoe worden verhoogd tot -2,2 m NAP. Er zal een zekere zetting optreden, maar de versnelde daling van het park ten opzichte van de omgeving wordt beëindigd. Ook de wateroverlast zal door ophoging met goed doorlatend zand tot het niveau van de omgeving tot het verleden behoren. Een nadeel is wel dat de opgehoogde delen opnieuw ingericht moeten worden. Ook zal de operatie waarschijnlijk over een aantal jaren moeten worden gespreid, met een bijbehorende langdurige verstoring van het park.