'Meestal bungelt kleding er maar zo'n beetje bij'; Utrechtse kostuumcollectie naar Rotterdam

De een was scheefgegroeid, de ander had een bocheltje en een derde had haar rokken verknipt. In de pas uitgebreide collectie historische kostuums van het Historisch Museum in Rotterdam hebben 'echte' mensen gezeten, mensen die knoeiden en hun kleren stuk maakten. Conservator Sjouk Hoitsma over slijtage-slagen en lichtexperimenten.

Modebeelden III: kleding en accessoires van 1790-1990. T/m 17 april. Het Schielandshuis, Korte Hoogstraat 31, Rotterdam. Inl 010-4334188.

T/m dezelfde datum zijn de exposities 'De Binnenkant Buiten' en 'Eugene van Veldhoven, pas- en meetwerk van een Rotterdamse mode-ontwerper' te zien.

Wie zijn kleren niet onder het bed mag wegproppen, maar zo netjes moet neerhangen dat ze elkaar niet raken, heeft een probleem. Wie 1800 kostuums aldus moet opbergen, zou wel eens een heel groot probleem kunnen hebben. Het Historisch Museum Rotterdam heeft echter voldoende kastruimte. Twaalf jaar geleden kreeg het samen met andere musea de beschikking over een enorme betonnen bunker in de Alexanderpolder. Toen in januari 1993 de 800 kledingstukken van het Utrechtse Historisch Kostuummuseum hierheen kwamen, om samengevoegd te worden met de Rotterdamse collectie van 1000 stuks, was er dus genoeg ruimte voor een nieuwe klerenkast. Een van 42 meter lang, en zuurvrij bovendien.

Nu zijn een aantal kostuums weer even bevrijd uit het depot. Vanaf 17 december is onder de titel 'Modebeelden III' op de zolder van het Schielandshuis een selectie te zien uit de pas verworven Utrechtse collectie. In een semi-permanente opstelling geven veertig kledingstukken, met de daarbij passende accessoires, een chronologisch overzicht van de Westerse mode van de afgelopen tweehonderd jaar. Het oudste stuk dateert van omstreeks 1800 en is een parmantig gestreept kinderpakje, dat wellicht is gemaakt van een bestaand herenkostuum uit een eerdere periode. Aan het andere eind van het spectrum leiden enkele moderne creaties van Nederlandse ontwerpers als Frans Molenaar, Frank Govers en Frits Klaarenbeek de bezoeker weer terug in de eigen tijd.

Sjouk Hoitsma is net twee jaar conservator textiel van het Rotterdams Historisch Museum en erg verguld met de nieuwe aanwinsten. “Op het moment dat de Stichting Historisch Kostuummuseum niet tot overeenstemming kon komen met het Utrechtse Centraal Museum over de toekomst van de collectie, hebben wij de knoop doorgehakt. Die kostbare kleren konden immers niet op straat blijven staan.” Rotterdam kreeg het Stichtingbezit voor tien jaar in bruikleen, en daarmee kwam een der kleinste Nederlandse kostuumcollecties plotsklaps in de eredivisie van de museale kledingverzamelingen terecht.

In Utrecht was de collectie geordend op de naam van de schenker, het moment van binnenkomst en een voorlopige datering. Maar het vaststellen van een jaar van herkomst is bij kleding niet altijd een eenvoudige zaak. Dat blijkt uit een prachtige strapless avondjapon van de Parijse couturier Jacques Fath. '1953' was de officiële datering voor dit showmodel. Maar een tekening van mode-journaliste Constance Wibaut in een vergeelde Vrij Nederland bewees dat de jurk vier jaar ouder is, en stamt uit 1949. Dat was hetzelfde jaar dat Fath ook zijn befaamde bruidsjurk voor Rita Hayworth ontwierp, voor haar huwelijk met prins Ali Khan.

De Rotterdamse en de Utrechtse kledingverzamelingen vullen elkaar goed aan, meent Hoitsma. Vooral over de aanwinst van sommige accessoires, zoals een paar fluwelen dansschoenen met versierde hakken waarvan het Art Deco motief met strass-steentjes is ingelegd, is ze erg enthousiast. Zulke topstukken had de eigen collectie nog niet. Die was veel algemener, en had vooral met Rotterdam te maken. Er waren kostuums van bekende inwoners, zoals Hugo de Groot en Jules Deelder, maar ook vaandels van fanfare-verenigingen. “Het Historisch Museum richt zich meer op facetten van het dagelijks leven”, aldus Hoitsma, “Uitbreiding van de collectie in de richting van haute couture is onze taak niet. Wij willen meer de kleding van gewone mensen in de grote stad tonen.”

Behalve conservator is Hoitsma ook restaurateur in het museum. Als geen ander kent ze dus het gevaar van bezoekers die aan oude stoffen voelen. “Zet een aantal kostuums zonder glas neer en iedereen zit er met z'n vingers aan.” Om de Utrechtse exemplaren te beschermen tegen duimafdrukken is op de tentoonstelling daarom voldaan aan alle moderne conserveringsvoorwaarden: stofvrije vitrines, spots van 50 lux, weinig UV-stralen, de juiste vochtigheidsgraad, en een presentatie van ten hoogste twee jaar.

Toch is er geen ontkomen aan: kostuums hebben van exposities altijd te lijden. De grenzen van het haalbare in de strijd tegen slijtage worden in Rotterdam verkend met de primeur van een ingewikkeld lichtexperiment. In samenwerking met theater-lichtontwerper Johan Vonk maakte Hoitsma dia's van details van ieder kostuum, die manshoog op transparant theatergaas worden geprojecteerd. Door deze beelden af te wisselen met spotjes op de tentoongestelde kleding moet een 'choreografie van licht' ontstaan. Daarbij is het aan- en uitschakelen van de lampen zo afgesteld dat steeds een gemiddelde van 50 lux wordt verkregen. Audio-visuele afdelingen van verschillende musea braken zich het hoofd erover, maar nu staat er dan ook iets dat nooit eerder is vertoond.

Ook nieuw op de tentoonstelling zijn de op maat gemaakte torso's voor ieder kostuumstuk. Op die manier leer je, aldus Hoitsma, veel over de oorspronkelijke dragers. “Zo blijkt de één scheefgegroeid en had de ander een bocheltje. Een derde had haar rokken verknipt, waarschijnlijk toen de mode veranderde. In de kostuums hebben, kortom, levende mensen gezeten. Ik vind daarom vlekken of slijtplekken op historische kleding geen probleem. Het is onzin die te verhullen.”

Een merkwaardig hoogtepunt in het Schielandshuis is een lange japon van goudkleurige satijn uit de jaren dertig. Van verre oogt de jurk als een schitterende Hollywood-creatie, en lijkt geïnspireerd op de sluike, schuingeknipte avondtoiletten van Amerika's eerste seks-symbool Jean Harlow. Als je beter kijkt, zie je echter dat de japon in werkelijkheid onhandig amateurwerk is en slecht afgewerkt. Ze is bovendien zo vreemd van proporties, met smalle borstkas en brede heupen, dat je je afvraagt wie daarin ooit gelopen kan hebben.

Die vraag rijst ook bij het werkstuk 'Chinese Zee', de loodzware, monumentale en waarschijnlijk ondraagbare jas die Fong Leng ooit voor Mathilde Willink maakte. Van binnen heeft het geval net zoveel geplisseerde golfjes als van buiten. Dergelijke rijke binnenkanten zijn echter voor de bezoeker niet altijd zichtbaar. Reden genoeg voor het Rotterdams Museum om enkele jonge ontwerpers uit te nodigen in de marge van de tentoonstelling hun visie te geven op het thema 'de binnenkant buiten'. Hier blijkt dat er tegenwoordig geen taboe meer rust op de traditionele ingewanden van kleding. Marlies Maes liet zich in ieder geval inspireren door de achterkant van katoenen breisels, compleet met loshangende draadjes en plooien, en Ine van Druten verwerkte dons, gekleurde veertjes, paardehaar en elastiek (materialen die normaal in het binnenwerk van rokken of jassen worden verstopt) in olijke gilets.

Met deze expositie wil het Historisch Museum Rotterdam zich profileren als één van 's lands voornaamste kostuummusea. Hoitsma: “Er zijn op het moment te weinig museale locaties in Nederland waar aandacht aan mode wordt besteed. Meestal bungelt de kleding er maar zo'n beetje bij. En de topcollectie van het Nederlands Kostuummuseum in Den Haag met zo'n 40.000 stuks hangt vrijwel geheel in depots. Dat is jammer.” Het zal voor Rotterdam niet eenvoudig zijn om het vacuüm op te vullen dat ontstond door het wegvallen van het Historisch Kostuummuseum te Utrecht. “We moeten”, lacht Hoitsma, “hier extra ons best doen tussen al die moderne wolkenkrabbers.”