Meer handel levert geen structurele oplossingen

Het GATT-akkoord geeft investeerders vertrouwen en bevordert de handel. Maar om meer werkgelegenheid in Europa te scheppen zijn structurele aanpassingen nodig. En een betere verdeling van inkomen ten gunste van de verliezers.

De meest waardevolle raming omtrent het effect van het Uruguay-akkoord is afkomstig van het secretariaat van de GATT, namelijk dat de omvang van de wereld-goederenhandel rond het jaar 2005 erdoor zal groeien met bijna 750 miljoen dollar. Dat cijfer laat het gunstige effect op het dienstenverkeer buiten beschouwing: dat schijnt niemand nog te kunnen kwantificeren.

De handelsgroei zou neerkomen op een toename van 12 procent vergeleken bij wat de omvang anders had kunnen zijn. Deze schatting, hoewel speculatief, is minder onbetrouwbaar dan de pogingen om de groei van de handel uit te drukken als veranderingen in welvaart, iets wat de meeste krantekoppen doen die worden aangehaald door niet-begrijpende politici.

Op de korte termijn zal een GATT-akkoord vooral effect hebben op het vertrouwen. Het zal het laatste duwtje zijn voor ondernemingen die aarzelen over investeringen in projecten waarbij produkten landsgrenzen moeten overschrijden. Daarnaast zal het de schade voorkomen die aan een toch al slappe wereldeconomie zou worden toegebracht door een domper op het vertrouwen.

De hoop voor de langere termijn moet echter zijn dat de wereldhandel een nieuwe impuls zal krijgen. De behoefte daaraan blijkt uit nevenstaande tabel van de hand van Peter Sinclair, econoom te Oxford, afkomstig uit een artikel in de Oxford Review of Economic Policy van dit najaar (uitgegeven door de Oxford University Press).

In deze tabel zijn de exportwaarden gecorrigeerd voor een algemene prijsindex zodat ze de netto-groei te zien geven. De gebruikelijke praktijk is ze te corrigeren aan de hand van exportprijzen, maar dat is misleidend omdat de producenten van de verhandelde goederen doorgaans een snellere produktiviteitsgroei kennen dan andere bedrijfstakken, en hun goederen derhalve minder in prijs stijgen.

De tabel laat zien dat de wereldhandel tot 1980 in de regel veel sneller groeide dan de totale produktie; in het decennium daarna echter is die regel omgekeerd en nam de handel in alle landen van de Groep van Zeven, uitgezonderd Frankrijk en Duitsland, minder toe dan de produktie. De algemene conclusie blijft hetzelfde als men olie uit de cijfers verwijdert of de handel binnen de EG buiten beschouwing laat.

Sinclair wijt een groot deel van het verlies aan dynamiek in de wereldhandel aan de politiek. De perioden tussen twee GATT-ronden worden steeds langer. Het is al twintig jaar geleden dat de Tokio-ronde (die aan de Uruguay-ronde vooraf ging, red.) werd afgesloten. Sindsdien is de agrarische protectie toegenomen; er zijn meer non-tarifaire belemmeringen gekomen; en sommige regionale groepen zoals de Europese Unie hebben wellicht handelsstromen uit intercontinentale kanalen weggesluisd.

De auteur legt ook een deel van de schuld bij zogeheten nieuwe handelstheorieën onder academici. Daarin wordt gesuggereerd dat wanneer ondernemingen sterk staan in de markt, landen kunnen profiteren door die bedrijven de helpende hand te bieden. Ik vermoed dat die theorieën louter als rationalisaties worden gehuldigd door regeringen bij wie zwaar gelobbyd wordt door producenten. Sinclair doet er een frontale aanval op en laat zien dat een vrijere markt zelfs onder de veronderstelde omstandigheden op de wereldmarkt voordelig zou kunnen zijn.

Intussen valt de ene waarschuwende analyse na de andere op mijn bureau waarin wordt beweerd dat de volgende kentering in Europa nog teleurstellender zal zijn voor de werkgelegenheid dan die van de jaren '80, en de lonen van minder geschoolde werknemers nog sterker onder druk zal zetten. In sommige versies lijkt de dreiging op een terugkeer van het 'gele gevaar' uit het oosten waarvoor de Europeanen en Amerikanen aan het begin van de 20ste eeuw zo doodsbenauwd waren.Inderdaad voltrekt zich een ingrijpende, tweeledige verandering in de wereldeconomie, die het meest overtuigend is samengevat - zonder flauwekul over een geel gevaar - door Richard Brown en DeAnne Julius in hun eerste, bekroonde, opstel in de Amex Bank Review, eveneens verschenen bij de Oxford University Press.

De ene verandering is een sterke verschuiving van het geografisch zwaartepunt, dat voorheen in de 24 van oudsher rijke landen van de OESO lag. Die verschuiving is gemaskeerd door de gewoonte Bruto Binnenlandse Produkten te vergelijken volgens de geldende wisselkoers, waardoor de produktie van de tot dusver minder ontwikkelde landen wordt ondergewaardeerd. Volgens de conventionele methode is het BBP van de OESO-landen 2,7 keer dat van de rest van de wereld. Maar op grond van ramingen gebaseerd op koopkracht-pariteit is de factor maar 1,1.

De andere, met de eerste samenhangende verandering is een sterke afname van het aandeel van de industrie in de totale werkgelegenheid van de OESO-landen. In de Verenigde Staten had dat aandeel zijn top al bereikt in 1920. Landen zoals Duitsland - een echt buitenbeentje met een industrie-aandeel van 32 procent - staat in deze sector een zeer grote omslag te wachten. De auteurs verwachten dat dit aandeel in de meeste OESO-landen de komende 30 jaar zal dalen naar 10 procent of minder. Het zal daarbij dezelfde weg volgen als de werkgelegenheidsaandeel van de agrarische sector de afgelopen 50 jaar.

Brown en Julius zien daarin niets beangstigends. Dienstverlening bestaat uit meer dan het omwippen van hamburgers bij McDonalds door 16-jarigen. Ook managers, verkooppersoneel, hersenchirurgen en bankiers horen tot de dienstensector. Een recent onderzoek in Manchester heeft uitgewezen dat werknemers in de recreatiesector en bij de media het meest verdienden en industriepersoneel het minst. Doordat het produktie-volume in de dienstensector moeilijk te becijferen is, wordt de inflatie in deze sector overdreven terwijl de groei van de produktiviteit sterk wordt onderschat.

Industriële bedrijven in het westen komen voor een moeilijke keus te staan: ze kunnen op de kosten besparen door de produktie over te brengen naar ontwikkelingslanden; of ze kunnen sectoren met een hoge toegevoegde waarde en een grote diensten-component opzoeken. Er komt hoe dan ook een verschuiving in de werkgelegenheid in de richting van de dienstensector. Men hoeft geen genie te zijn om te voorspellen dat er zware druk zal worden uitgeoefend ten gunste van subsidies of protectie voor de goederensector. Maar, zo merken Brown en Julius op, het zou een 'cruciale fout' zijn daaraan toe te geven. De ervaring op agrarisch gebied toont aan dat die reactie zowel kostbaar als uiteindelijk vruchteloos zou zijn.

De auteurs zouden liever zien dat westerse regeringen zich toeleggen op de bevordering van een vrije handel in diensten en een nog grotere vrijheid voor internationale investeringen. Ze pleiten er, zoals te doen gebruikelijk, voor dat Europese en Amerikaanse regeringen zich 'op de mensen richten' en scholing en opleiding verbreden teneinde het prestatieniveau in de nieuwste sectoren te verbeteren. Maar “op het traditionele vlak van industriebeleid en rechtstreekse steun aan de industrie vragen wij de politici dat te doen wat zij het moeilijkst vinden: niets!”

Er valt echter meer over te zeggen. Er ontstaat een probleem als gevolg van de snel toenemende verschillen tussen de laagste en de hoogste salarissen. Dit valt het meest op in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, maar ook de bescherming geboden door sociale wetgeving in West-Europa brokkelt af. Op tal van onderdelen van de verzorgingsstaat in Zweden wordt bezuinigd; en meer naar het zuiden worden landelijke cao's en minimumlonen gezien als obstakels voor de groei van de werkgelegenheid.

Internationaal onderzoek, zoals die welke zijn samengevat in het OESO-rapport inzake het Industriebeleid (1993), geven aan dat technologische veranderingen tot dusverre belangrijker zijn geweest voor het ontstaan van deze pressie op de arbeidsmarkt dan enerzijds beleid à la Reagan of Thatcher of anderzijds de invloed van de internationale handel. Maar wat er ook in het verleden is gebeurd, waarschijnlijk zal de invoer uit ontwikkelingslanden of het voormalig oostblok in de toekomst een neerwaartse druk uitoefenen op het maximaal concurrerende loonpeil voor de minst geschoolde of moeilijkst te herscholen groepen.

Als het vrije verkeer van goederen en diensten het vooruitzicht biedt het nationaal inkomen te vergroten, dan is achteruitgang bij bepaalde groepen in de samenleving een distributie-probleem dat niet mag worden gebagatelliseerd onder verwijzing naar herscholing.

De uitdaging is thans niet-wraakgierige manieren te vinden voor de herverdeling van inkomsten ten gunste van de verliezers. Het gaat erom methoden van herverdeling te vinden die er niet van uitgaan dat alle inkomen aan de staat toebehoort en die zonder de winst uit handel en technologie te niet te doen, toch diegenen schadeloos stellen die anders slachtoffer van de verandering zouden worden. De formulering van het probleem - dat nog veel te weinig wordt onderkend - gaat voor de beantwoording uit.

©Copyright: The Financial Times