Kleine zwanen

Geen woord ten nadele van knobbelzwanen, knobbelzwanen zijn dik in orde, maar het kan beduidend witter en een tikje sierlijker. Dan praat je over kleine zwanen.

Kleine zwanen zijn maar half zo zwaar. Kleine zwanen houden bovendien dubbel zoveel afstand. Ze zien je komen, steken in de verte van de polder al hun koppen op. De halzen staan gespannen, hun eeuwige gebabbel krijgt een rille ondertoon. Zo nodig lopen ze, bij elke meter die je nadert, een meter van je weg.

Voor alle zekerheid de snavelkleur: een zeldzaam geel met zwart in plaats van alledaags oranje.

In deze eigenaardigheden zit een wereld van verschil. De knobbelzwaan leeft als een hereboer, met veel aplomb en weinig moeite. De kleine zwaan als een nomade - die heeft een ruig en marginaal bestaan.

Kleine zwanen vliegen duizenden kilometers om te broeden. Elk najaar is het maar afwachten waar ze mee terugkomen. Dan tel je in een groep de jonge kleine zwanen. Zij zijn niet oogverblindend wit, maar hartverwarmend grijs.

Vorig jaar beliep het aantal jongen drie procent. Het broedseizoen was grotelijks mislukt. Dit jaar veel beter: het aantal jongen vijf à zes procent. Wat altijd nog betekent dat niet meer dan één op vijftien paren succes heeft gehad.

Dat zulke smalle schouders zulke zware lasten dragen. Op eerlijk delen is de natuur niet ingericht.