Keurslijf

De economieën van de EU (Europese Unie, zoals de EG sinds kort heet) draaien op het ogenblik niet best. Hier en daar wordt een voorzichtig herstel gemeld, maar gemiddeld genomen zitten ze in een recessie. Krimpende produktie, massale ontslagen, fabriekssluitingen en oplopende werkloosheid. Het is geen opwekkend beeld. Zelfs de gedachte dat na regen altijd weer zonneschijn komt, biedt nauwelijks troost.

Er zijn een paar manieren om een ingezakte economie te prikkelen tot grotere activiteit. Regeringen en centrale banken hebben een aantal instrumenten waarmee ze hun economie kunnen oppeppen. De vraag op dit moment is dan ook: waarom gebeurt dat zo mondjesmaat of helemaal niet? Waarom niet eens een flinke belastingverlaging voor de Euroconsumenten en -ondernemers? Of een forse vergroting van de overheidsbestedingen om de economie een ouderwets Keynesiaanse injectie te geven? En waarom worden de instrumenten van het geldbeleid, de monetaire politiek, niet met meer kracht ingezet? Goedkoper krediet door renteverlaging; een lagere wisselkoers die de export bevordert.

De antwoorden liggen even voor de hand als de vragen. Wil een regering de overheidsbegroting kunnen gebruiken als instrument om de economie aan te jagen, dan moet daar op die begroting ruimte voor zijn. En die is er niet. De reacties van de ministers van financiën op het Eurostimuleringsplan van EU-voorzitter Jacques Delors spreken boekdelen. Mooi plan, als ik er op mijn begroting maar geen last van heb.

Als gevolg van de recessie vallen de belastingontvangsten tegen. Immers, als de inkomens teruglopen krijgt de fiscus minder geld binnen. Maar bestond er niet het Keynesiaans recept dat je in een laagconjunctuur juist de belastingtarieven moet verlagen? De burgers houden meer koopkracht over, ze gaan meer besteden, de produktie stijgt evenals de verdiende inkomens. En ziet: uiteindelijk stroomt er meer belastinggeld in de schatkist. Tegenwoordig staat men erg wantrouwig tegenover deze zogeheten inverdieneffecten. En bovendien zitten de EU-landen gemiddeld met een begrotingstekort dat is gestegen van 3 procent van het bruto binnenlands produkt (BBP) in 1989 naar 7 procent dit jaar. De gemiddelde staatsschuld steeg van 43 procent van het BBP in 1980 tot 66 procent dit jaar. Dat is geen uitgangspositie waarin je nog eens de belastingen kunt verlagen of de overheidsbestedingen kunt opvoeren. De begrotingspolitiek is dus niet beschikbaar.

Akkoord, maar dan hebben we nog altijd het monetaire instrument. De inflatie is laag, dus wat dat betreft hoeven de centrale banken niet al te benauwd te zijn om via het geldbeleid de economie te stimuleren. Vandaar ook dat we de laatste tijd zien dat de centrale banken regelmatig de rente met kleine stapjes verlagen. Er zijn nogal wat economen die vinden dat het veel te langzaam en te voorzichtig gaat. Nog altijd geeft de Duitse Bundesbank het tempo aan. De Duitse mark is het anker van het Europese muntstelsel. Dat was zeker zo toen het Europees Monetair Stelsel (EMS) nog in volle glorie bestond. In het EMS gaf de DM, de munt van de grootste en sterkste Europese economie, de toon aan. De andere landen deden hun best om hun wisselkoers ten opzichte van de DM niet te laten verslechteren. Dat zou het vertrouwen van de financiële wereld in hun munt beschadigen. Zou bijvoorbeeld Frankrijk zijn rente sneller laten dalen dan Duitsland, dan zouden beleggers zich van de Franse franc afkeren en marken kopen. De franc zou ten opzichte van de mark in waarde dalen (depreciëren) en al snel het onderste interventiepunt bereiken. Bundesbank en Banque de France zouden dan beide moeten ingrijpen om de franc binnen de marge van 2,25 procent te houden.

Toen het EMS deze zomer uit elkaar spatte (de marge werd vergroot tot 15 procent en was dus in feite niet meer effectief) waren er twee reacties. Er was aan de ene kant teleurstelling dat het ook op dit punt met Europa niet lukken wilde. Aan de andere kant was er opluchting. De vaste band met de Duitse mark was verbroken. Behalve overigens voor Nederland dat zijn zeer strakke koppeling aan de mark handhaafde. Opluchting, want het verbreken van de koppeling aan de mark bood de andere landen meer mogelijkheden om een eigen monetair beleid te voeren. Meer ruimte om hun rente in een sneller tempo omlaag te brengen dan onder het EMS regiem.

Maar wat blijkt nu? De EU-landen gebruiken de geboden beleidsruimte niet. Het EMS mag dan formeel danig zijn opgerekt, in feite blijft het functioneren als een onzichtbaar keurslijf. Ieder voor zich probeert toch z'n ruilverhouding met de DM vast te houden in plaats van de grotere beleidsruimte te gebruiken om de economie meer te stimuleren dan onder het EMS mogelijk was. Met als gevolg dat al die landen nog steeds gedirigeerd worden door een Duits beleid dat nog altijd overgevoelig is voor dreigende inflatie. Toegegeven, Duitsland kan op fraaie economische resultaten in het verleden wijzen. Maar intussen heeft het zich ernstig vertild aan de hereniging met het voormalige Oost-Duitsland. De regering heeft daarbij een paar flinke fouten gemaakt, die de Duitse economie in grote moeilijkheden hebben gebracht. En het is intussen de vraag of een land dat zijn rente sneller zou verlagen dan de Duitsers werkelijk aan vertrouwen zou inboeten. Zoals het nu gaat is de rest van de Europese Unie de gevangene van het verkeerde beleid van de Duitse regering.

Het lijkt alsof de economie er naast de onzichtbare hand van Adam Smith nu ook een onzichtbaar korset heeft bijgekregen.