Interactief

Eens hoorde ik iemand in volle ernst beweren dat de tegenwoordige generatie kinderen veel slimmer is dan de vroegere, want 'je moet eens zien hoe die vijf- en zesjarigen met computers omspringen!' Zelf had hij op z'n 35ste weken moeten zwoegen voordat hij het onder de knie had, maar zet zo'n kind achter een toetsenbord en het vindt spelenderwijs zijn weg.

Dat kinderen aardigheid in apparaten met knopjes hebben is een ervaringsfeit, alleen zegt dat weinig over hun intelligentie. Zijn kinderen van nu die met computers werken slimmer dan degenen die zich met pen en papier moesten behelpen? Dan zijn mensen die een stofzuiger bedienen ook meer bij de pinken dan zij die slechts over bezem, stoffer en blik beschikken. Het wezen van intelligentie is nu juist dat er geen parafernalia nodig zijn. Het gemiddelde IQ is aan het begin van de eeuw op 100 gesteld. Dit is een arbitraire toewijzing van een rond getal aan een doorsnee-niveau van denkkracht. Het gemiddelde IQ was 100, is nog steeds 100 en zal ook altijd 100 blijven, want zo ligt dat in de definitie besloten (en 100 is niet hoog, zoals Renate Rubinstein eens fijntjes opmerkte). Het werken met computers mag er aan de buitenkant uitzien alsof er heel wat intelligente noten gekraakt worden in vergelijking met griffel-hanepoten op een lei, maar het gaat over gelijkwaardige leermiddelen.

De computer geniet intussen wel veel meer status dan het leitje of het schriftje met potlood ooit mochten meemaken. In Amerika worden regelmatig liefdadigheidsacties gevoerd om armlastige scholen van computers te voorzien. President Clinton zelf noemde in een toespraak over de feilen waar de scholen in de binnensteden onder zuchtten het gebrek aan computers als een punt van hoge prioriteit (naast lekkende daken, geen geld voor een schoonmaakploeg en gewapende leerlingen).

Van de computer wordt blijkbaar veel heil en zegen verwacht, als het om verbetering van het onderwijs gaat. De reden van die hoge verwachtingen is dezelfde als wat voor eerdere technische vernieuwingen heeft gegolden: het zou motiverend werken. Ook het houden van dia-voorstellingen in de klas werd in een ver verleden om die reden geïntroduceerd. En het gebruik van bandrecorders met koptelefoon (bestaat het talen-laboratorium nog? je hoort er nooit meer van), de overhead-projector, de schooltelevisie met educatieve programma's.

De inhoud van de leerstof is daarbij weinig veranderd. De tafels van vermenigvuldiging zijn nog steeds hetzelfde, evenals de wetten der natuurkunde, de logaritme-tabellen, de topografie en het feit dat 'hij wordt' met dt wordt gespeld. Of je de zaak nu in collegevorm aanbiedt of met behulp van kringgesprekken doorneemt, of uit boeken laat destilleren of een filmpje vertoont, het denkwerk zal zich uiteindelijk binnenin moeten afspelen.

Een veelgeprezen voordeel van de computer ten opzichte van andere, simpelere technische hulpmiddelen is dat hij interactief is. Waarmee bedoeld wordt dat het lijkt alsof je ermee kunt praten. Hij reageert! Als je iets fout doet, zegt hij bijvoorbeeld: probeer het nog eens. Hij kan zo geprogrammeerd worden dat hij opgewekte ding-dong geluiden produceert als de leerling een opgave tot een goed eind heeft gebracht. En ongetwijfeld zijn er nog veel geavanceerdere foefjes mogelijk op feedback-gebied, waarvan ik nooit gehoord heb.

Dit is allemaal prachtig en vernuftig, ik weet alleen niet of het daarom ook motiverend werkt. Ik vrees dat het voor de leerkrachten zo'n beetje werkt op de manier van de keukenmachine-met-twintig-hulpstukken. Als je zo'n ding in huis haalt, sta je te watertanden van alle Lucullus-maaltijden die je nu in een handomdraai op tafel kunt zetten: een uiensoepje, een garnalenmousse, een kalfslever-paté'tje. Het koken zelf promoveert ineens van last tot lust. Maar na een paar weken worden de uien weer als vanouds op een snijplankje gehakt met de hand (gaat wel wat langzamer, maar geeft minder afwas) en staat het apparaat te verstoffen in de gangkast.

Volwassenen, die zich de tijd van voor de computer kunnen herinneren, mogen er dan door geïmponeerd zijn en hem op grond van zijn interactiviteit de status van grote motivator toekennen, kinderen vinden het helemaal niet opmerkelijk dat een apparaat iets terugdoet - voor hen is een computer net zo gewoon als potlood en papier. Daar hebben ze gelijk in: iets wat een zesjarige naar tevredenheid kan bedienen is niet vreselijk ingewikkeld, dus je hoeft er ook niet tegenop te kijken.

De computer is nog niet lang genoeg onder ons om in alle schoollokalen door te dringen en daarmee tot het niveau van de klascavia of de schoolbibliotheek af te zakken, maar langs de zijlijn wordt alvast de volgende vinding klaargestoomd: de cd-rom schijf, aansluitbaar op de computer en ook bijzonder interactief. Op een zo'n schijfje kan een hele encyclopedie, voorzien van allerlei interessante excursies. Stel dat je geïnteresseerd bent in Richard Nixon. Dan kun je niet alleen de betreffende tekst op het beeldscherm lezen, maar ook, als je daar behoefte aan zou hebben, de archiefbeelden van de beroemde 'I am not a crook'- toespraak afspelen.

Of je wilt iets over kikkers weten - de hele metamorfose van dril via donderkopje naar kikker kan bewegend en wel worden opgeroepen. Net niet in vivo, maar het scheelt weinig (de hologram-versie van cd-rom zal niet lang op zich laten wachten). Met zo'n cd-rom schijfje wordt scripties schrijven een genoegen in plaats van een verplichting!

Het is natuurlijk leuk om zo'n databank in huis te hebben, en vooral ook handig, omdat die minder plaats inneemt dan een encyclopedie. Ook op school kan zoiets goed van pas komen. Maar de technologie als zodanig, hoe interactief ook, zal niet meer mensen over de streep trekken om geïnteresseerd te raken in de wereld der amfibieën of het leven van Nixon, net zo min als kinderen slimmer worden door met computers te werken. Dommer ook niet trouwens, dat is in ieder geval een troostvolle gedachte voor degenen die zich zorgen maken over Nintendo-verslaving.