Europees witboek is een groenboek

De status van het nieuwe witboek van de Europese Commissie 'Naar de 21e eeuw: wegen en uitdagingen' is moeilijk nauwkeurig vast te stellen. Het zou bedoeld zijn geweest als een nieuwe katalysator in de Europese eenwording, maar het werd, toen onderdelen ervan in de openbaarheid doorsijpelden, al snel van die pretentie beroofd. De kasbewaarders in de Unie lieten weten met de betaalbaarheid van het voorziene grootscheepse programma van openbare werken grote moeite te hebben. Eind vorige week is het aan de Europese Raad van staats- en regeringsleiders aangeboden. Vervolgens heeft de uitslag van de Russische verkiezingen en het resultaat van de onderhandelingen over verruiming van de wereldhandel het witboek uit de algemene aandacht verdreven.

Het valt niet mee een oordeel te vellen over het 191 pagina's tellende document. Daarvoor zijn er teveel open einden, is het te weinig verplichtend en is het te zeer een bundeling van ideeën met een op het oog uiteenlopende ideologische grondslag. De strakke marsroutes die de Commissie in het verleden heeft uitgestippeld naar de monetaire eenheid en naar de interne markt ontbreken in dit witboek. Als het laatste hoofdstuk 'Gedachten over een nieuw ontwikkelingsmodel voor de Gemeenschap' maatgevend moet worden geacht, is er eerder sprake van een groenboek. Alhoewel het voor echte Groenen in zijn voorkeur voor voortgezette economische groei toch wel weer onverteerbaar zal zijn.

Misschien is het geschrift niet veel meer dan een zoveelste poging om een aantal zaken die niet natuurlijkerwijs harmonisch met elkaar zijn verbonden, toch met elkaar in een werkbare samenhang te brengen. Economische groei is zo bezien niet een verschijnsel dat wordt aangetroffen als een in zichzelf waardevrij resultaat van het streven naar individuele lotsverbetering, maar een bestaand mechanisme dat voor hogere doeleinden kan worden ingezet. Die doeleinden zijn werkgelegenheid en bescherming van het milieu, twee aspecten van het menselijk samenleven die nu juist door intensieve groei met de daaraan verbonden verhoogde arbeidsproduktiviteit in het gedrang zijn gekomen.

De ideeën die hier worden ontvouwd zijn niet nieuw, maar als uitkomst van politiek beraad op het hoogste Europese niveau toch wel opzienbarend. De Europese Raad heeft het witboek voor zover bekend immers op hoofdlijnen omarmd.

Er wordt ondermeer in vastgesteld dat op het bestaande ontwikkelingsmodel in de Gemeenschap het nodige valt af te dingen. Het gebruik van arbeid is onvoldoende, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen buitensporig. Het doet wellicht geen recht aan de hoge gedachten die vervolgens worden ontvouwd om vast te stellen dat wat er nu in de Gemeenschap gebeurt, niet zo veel te maken heeft met een 'model' dat door een beter 'model' zou kunnen worden vervangen. Maar het blijft nuttig om de werkelijkheid te zien zoals die is: het resultaat van veel pogen en nog veel meer falen binnen een structuur die eerder een toevallig en soms verrassend gevolg dan een bedoelde oorzaak mag worden genoemd.

Terecht stelt het witboek vast dat de financiering van de sociale zekerheid de indirecte arbeidskosten opdrijft waardoor de tendens tot arbeidsbesparing verder wordt geïntensiveerd. De op gang gekomen overbrenging van geavanceerde technologie naar lage-lonenlanden heeft daarmee onmiddellijk te maken. Maar hoe nu deze ontdekkingen in overeenstemming te brengen met een constatering die eerder in het witboek wordt gedaan als zouden loonsverlaging en grote ingrepen in de sociale zekerheid sociaal onaanvaardbaar en politiek onhaalbaar zijn, sterker als zouden zij de crisis slechts verergeren door een teruglopende binnenlandse vraag? Wordt op die manier niet het meest voor de hand liggende instrument bij voorbaat als onbruikbaar terzijde geschoven?

De Commissie heeft het ei van Columbus opgeraapt dat anderen al voor haar hadden klaargelegd: in de marktprijzen zullen systematisch alle externe kosten voor de samenleving moeten worden opgenomen. Indirecte belastingen op vervuilende produkten en activiteiten heten een krachtig instrument ter bestrijding van verborgen subsidies in de vorm van externe kosten ten laste van de samenleving als geheel. Externe kosten voor (schade aan/JHS) de samenleving worden hier begrepen als verborgen subsidies aan de vervuilers totdat belastingen die zichtbaar maken - waarna ze via het prijsmechanisme worden afgewenteld op diezelfde samenleving.

Van tweeën een: of de samenleving laat zich door de hogere prijs afschrikken met als direct gevolg een verbetering van het milieu of zij accepteert het duurdere produkt en dan ontstaat er een fonds waaruit verbetering van het milieu kan worden gefinancierd. Niet aldus het witboek: de opbrengst wordt namelijk ook aangewend voor het verlagen van de kosten van de sociale zekerheid voor het bedrijfsleven dat vervolgens met behulp van goedkopere arbeid en met aanwending van minder, want duurder geworden, energie zijn concurrentiekracht kan herwinnen. Groei, werkgelegenheid en een gezond milieu zijn in een drievuldigheid opgegaan die het ganse aardrijk beschijnt want haar stralen zouden verder reiken dan Europa alleen.

De oplossing is niet nieuw. Tijdens de oliecrisis van 1973 deed dr. Henry Kissinger de suggestie om via een belasting op energie het verbruik te beperken. De gedachte leidde tot hoog opgetrokken wenkbrauwen: een prijsverhoging - die van de sjeiks - bestrijden met een verdere prijsverhoging klonk als een gotspe. Kissinger voorzag naast vermindering van het verbruik een betere benutting van de binnenlandse olievoorraden en als consequentie vermindering van de Amerikaanse afhankelijkheid van buitenlandse bronnen. Het doel werd bereikt, maar langs een andere weg: het oliekartel ging ten langen leste aan onderlinge tegenstellingen ten onder en de 'produktiviteit' van grondstoffen in het algemeen en energie in het bijzonder nam aanzienlijk toe.

Markten volgen de voorlopers, regeringen, vaak onbewust, de markten. Tegen de tijd dat overheden zich opmaken om een verstoring van het maatschappelijke evenwicht te bestrijden, is de markt veelal begonnen op eigen kracht een nieuwe balans te zoeken. Overheidsmaatrelen brengen het risico met zich mee het natuurlijke beloop der dingen eerder te hinderen dan te bevorderen. Zo zou een groene belasting niet veel meer doen dan de last van de secundaire arbeidskosten verschuiven naar de algemene middelen terwijl zij de concurrentiekracht van het bedrijfsleven blijvend aantast. De suggestie dat in een moderne samenleving energie even gemakkelijk door menselijke arbeid kan worden vervangen als arbeid door energie blijft intussen voor rekening van de opstellers van het witboek.