Een Juffertje met een Krukas

Deze week 400 jaar geleden ontketende de molenaar Cornelis Corneliszn. te Uitgeest een industriële revolutie in de Nederlanden met zijn uitvinding van een windhoutzaagmolen met krukas.

Een fanatiek gezelschap was het, die koude zaterdag eind november in het Woudsendse dorpshuis De Driuwpôlle. Tot uit België en Frankrijk waren ze gekomen: vrijwillige molenaars, ingenieurs, historici en zomaar geïnteresseerden.

Terwijl buiten de vrieswind over de besneeuwde polder striemde, wisselde men binnen van gedachten over de geschiedenis van de oerzaagmolen 'Het Juffertje', de technische geheimen van paltrok- en bovenkruiende houtzaagmolens, over vierslagkrukassen, pompramen, kolderstokken en pokhouten neuten. Het niveau was dat van een wetenschappelijk symposium, terwijl de lokatie met de Woudsendse houtzaagmolen De Jager om de hoek niet passender gekozen had kunnen zijn.

De studiebijeenkomst, onder de welluidende titel Een Besonder Creckwerck, was belegd door de Nederlandse afdeling van The International Molinological Society, het Gild Fryske Mounders en het Gilde van Vrijwillige Molenaars. Het thema: '400 jaar houtzagen met wind in Nederland (1593-1993)'.

Aanleiding vormde de verlening, vandaag precies vierhonderd jaar en één dag geleden, van een octrooi op de eerste windhoutzaagmolen met krukas ('creckwerck') aan de ondernemende uitvinder Cornelis Cornelisz. te Uitgeest. Het was een uitvinding van zeer groot belang voor de jonge Republiek der Nederlanden: de mechanisering van de houtzaagbranche stond aan de basis van een cruciale innovering in de scheepsbouw. Hebben Nederlandse techniekhistorici nogal eens de neiging om hun pen pas op te nemen zodra het woord 'stoom' valt, Corneliszn.'s 'creckwerck' ontekende een industriële revolutie die voor de invoering van de stoommachine nauwelijks onderdoet. Zo succesvol was de houtzaagwindmolenindustrie in ons land, dat de Gouden Eeuw met even veel recht kan worden aangeduid als het Houten Tijdperk.

Ansichtkaarten

Iemand die alles weet over het ontstaan van de windhoutzaagmolen is de Rijswijkenaar Frans Rutten, in het dagelijks leven acceptant bij een herverzekeringsmaatschappij maar in zijn vrije tijd vrijwillig molenaar op de houtzaagmolen De Heesterboom in Leiden en een hartstochtelijk molenvorser. 'Als kind,'' zegt hij, 'verzamelde ik al ansichtkaarten met molens erop, en sindsdien is mijn molenpassie er alleen maar erger op geworden.''

Rutten opende de bijeenkomst in Woudsend met een uitputtend historisch overzicht onder de titel 'De nuttelycke vindinge van het Houtzagen', een zinsnede ontleend aan de Saenlandsche Arcadia uit 1658. De auteur van dit werk, de boekdrukker en voormalige scheepsbouwer Soeteboom, schetste in enkele alinea's een vrij gedetailleerd beeld van de wordingsgeschiedenis van de 'moeder van alle' windzaagmolens, een machine 'die men na de Forme 'het Juffertje' noemden'. Dit Juffertje, aldus Soeteboom, werd in de voorzomer van 1596 door Corneliszn. naar Zaandam ('Saardam') overgebracht en aldaar in werking gesteld. Het prototype was uitgerust 'met twee Sagen, de kreck stack in het eynde van de groote As en de Sleede wierdt voort gewonden met eenige ijseren Raderen, schier gelyck een uurwerck'.

Wie was het brein achter dit toestel dat leek op een juffrouw, liep als een klok en de Zaanstreek in luttele jaren zou transformeren tot een high-tech industriepark van zaagmolens? Van de levensloop van Cornelis Corneliszn., soms ook Krelis Lootjes genoemd, is helaas maar weinig bekend. Hij werd geboren ergens in het midden van de zestiende eeuw en hij overleed in elk geval voor 1607, toen zijn weduwe Trijn Pieters bij de Staten van Holland verlenging aanvroeg van een van zijn zaagmolen-octrooien.

De grote inpolderaar Leeghwater, hoewel een stuk jonger, heeft Corneliszn. naar eigen zeggen 'seer wel gekent ende gesproken', maar gaf geen verdere bijzonderheden dan dat hij een 'boer tot Uitgheest' was. Zelf omschreef Corneliszn. zich als 'een schamel huysman, met wijff ende kijnderen belast,' maar dat was in een octrooi en misschien deed hij zich daar uit tactische overwegingen eenvoudiger en armlastiger voor dan hij was. Vast staat in elk geval dat hij 'houtsager' was, op de 'Moldijck' woonde en zich ontpopte als dé leidende innovator op het gebied van de houtzaagmolentechniek.

Heen en weer

De uitvinding van Corneliszn. kwam niet uit de lucht vallen. Al geruime tijd werd er in technische kringen nagedacht over een mogelijke mechanisering van het houtzagen, een zeer belangrijke industriële activiteit gezien de groeiende vraag naar hout voor de scheepsbouw, waterstaatkundige werken en bedijkingen. In de Nederlanden werd al het hout eind zestiende eeuw nog traditioneel met de hand gezaagd, een werk dat niet alleen zwaar maar vooral ook zeer tijdrovend was.

De doorslaggevende innovatie van Corneliszn. betrof de toepassing van de krukas voor een doel, precies tegengesteld aan dat van moderne krukassen in automotoren. Daar zetten krukassen de heen- en weer gaande beweging van de zuiger om in een roterende beweging van de wielaandrijving, bij windzaagmolens is de overbrenging juist andersom.

Windmolens verrichten hun arbeid met de roterende hoofdas of koningspil. Tot 1593 waren alle toepassingen direct van deze rotatie afgeleid. Korenmolens maalden graan met behulp van draaiende molenstenen, poldermolens bemaalden polders met waterraderen. De aandrijftechniek was geheel en al een kwestie van kroon- (spoor-)- en tandwielen (rondsels).

Om met een recht (niet-roterend) zaagblad hout te kunnen zagen was echter een heen- en weergaande beweging nodig, en er moest een truc aan te pas komen om die te ontlenen aan de draaiingsenergie van de koningspil. Het antwoord was de krukas, een as met een of meer bochten of krukken erin, verbonden aan drijfstangen of kolderstokken die op hun beurt zaagramen in beweging zetten.

De krukas was in de tijd van Corneliszn. al lang bekend, maar niet eerder toegepast in een Hollandse windmolen. Het was deze nieuwe implementatie die de kiem legde voor de ongekende economische opbloei in de houtzagerij en de scheepsbouw. Het eerste octrooi van Corneliszn. werd op 15 december 1593 door de Staten van Holland verleend voor een periode van 12 jaar. In tegenstelling tot wat we in hedendaagse octrooien gewend zijn was de formulering bijzonder vaag. De tekst meldde weinig meer dan dat het ging om 'een nyeuw werck van een wintmoelen, dairmede alderhande houdt mach werden gesaecht'.

Naast de octrooitekst bevatten de minuut-resoluties van de Staten echter ook een drietal 'patroonen' (werktekeningen), met meer technische bijzonderheden. Deze werden pas in 1917 ontdekt, toen het betreffende deel van de Resolutiën, dat tot die tijd had berust in het Gemeentearchief te Dordrecht, naar het Rijksarchief verhuisde. Uit de tekeningen blijkt duidelijk dat het niet ging om één, maar om twee ontwerpen: een voor een vlot-, en een voor een wiphoutzaagmolentje.

Beide ontwerpen moeten volgens Frans Rutten worden beschouwd als experimentele prototypes, die echter direct aan de basis stonden van de 'zaagmolenexplosie' die zich in de eerste decennia van de zeventiende eeuw in de Zaanstreek voltrok.

Het vlotmolentje stond op een driehoekig vlot dat in een hoek met een ring om een paal werd vastgelegd, zodat het steeds vanzelf in de wind draaide. Het ontwerp is simpel en rechttoe-rechtaan, sommige essentiële details ontbreken.

Het andere model was een aangepaste wipmolen, een kubus met wieken geplaatst op een pyramide. De wieken konden in de wind worden gedraaid zonder dat de hele bedrijfsvoering meedraaide. Via een uitwendige krukas dreef de wipmolen een naastgelegen zaagmechaniek aan.

Dit 'landontwerp' voorzag niet alleen in de aandrijving van de zaag, maar ook in de doorgeleiding van de te zagen balken. Geen geringe prestatie, oordeelt Rutten: 'Hoewel de tekeningen primitief aandoen, zeker wanneer we ze vergelijken met tekeningen van zaagmolens uit achttiende-eeuwse molenboeken, is er in mijn ogen toch sprake van een knap en volwaardig produkt''.

De prototypes van Corneliszn. leidden tot een koortsachtige innovatiespiraal. De economische betekenis van de zaagmolens groeide snel, en daarmee ook het gevaar van namaak. Daar Corneliszn. 'groote moeijten, costen ende arbeijt hadde gelegen' aan zijn ontwerp en zelfs 'dairaen te coste geleijt, al wat hij heeft gehadt', wilde hij met zijn octrooi beletten dat 'eenen yegelijken geoirloft waire gelijcke wercken van moelene dairnae te maecken sonder den suppliant te begrooten zijne gedraegen costen, moeijte ende arbeijt'.

De ondernemende Uitgeestenaar kreeg honderd procent zijn zin. De Staten van Holland stonden hem niet alleen toe om overal molens te bouwen waar hij maar wilde, ze gaven hem bovendien op al zijn houtzaagmolens vrijstelling van windrecht. Wie volgens het octrooi van Corneliszn. wilde bouwen, moest commissie betalen en wie dat verzuimde, liep het risico van een buitengewoon hoge boete van 100 gouden realen en beslaglegging op de molen.

Dat de krukas de crux van Corneliszn.'s ontwerp vormde, bewijst vooral zijn tweede octrooi uit 1597, waarin hij 'eene besondere Creckwerck' patenteerde 'van Yser of Hout, met een, twee, drie ende meer bochten'. Hiermee was Corneliszn. zijn op de loer liggende concurrentie opnieuw een beslissende slag voor.

Assen met meerdere krukken (twee-, drie- en vierslagskrukassen) konden meer zaagramen tegelijk bedienen, terwijl de aandrijving soepeler verliep doordat de krukken een hoek met elkaar maakten (in drieslagskrukassen maken ze bijvoorbeeld onderlinge hoeken van 120 ). Zelfs in houtzaagmolens met maar twee zaagramen werd toch een drieslagskrukas toegepast teneinde ook het pompraam aan te kunnen drijven, een loos extra raam dat voorziet in het vooruitschuiven van de balken door de zaag (het krabbelwerk).

Paltrokmolens

Corneliszn.'s eerste vlotmolen-ontwerp, volgens Rutten 'het Juffertje' van Soeteboom, werd in Zaandam tot twee maal toe vergroot en stond vermoedelijk aan de basis van de paltrokmolen, het oudste standaard houtzaagmolentype. Paltrokmolens zijn zogeheten onderkruiers, dat wil zeggen molens die in hun geheel (inclusief aangebouwde zaagwerkplaats) op de wind draaibaar zijn. De zijdelingse uitbouwen dienden om de lange balken te bergen die anders bij bepaalde windrichtingen de wieken in de weg zouden zitten. Paltrokmolens ontlenen hun naam aan het karakteristieke silhouet, dat doet denken aan een overjas (palletoc in het Oud-Frans, of wellicht nog directer: een rok of mantel van mensen afkomstig uit de Palts).

Paltrokmolens bevatten doorgaans twee verticaal bewegende zaagramen, geleid door pokhouten neuten. Vanaf ongeveer 1610 verrezen er in de Zaanstreek en het Noordhollandse Noorderkwartier vele tientallen. Elke paltrokmolen bood werk aan vijf werklieden: een meester-, een middel- en een ondermiddelknecht plus een boven- en een kotjongen.

Leendert van Prooije, directiesecretaris van het Nederlands Openluchtmuseum en onderzoeker naar de verspreiding van houtzaagmolens in de zeventiende en achttiende eeuw, heeft de groei van het Hollandse houtzaagmolenpark zeer nauwkeurig in kaart weten te brengen. Turvend aan de hand van gegevens uit verpondingskohieren komt hij voor het Gewest Holland en West-Friesland in het jaar 1630 uit op 86 houtzaagmolens, op een totaal generaal van 591 produktiemolens (het merendeel, 368, korenmolens, de rest olie- en andere industriemolens). Van deze 86 zaagmolens stonden er 53 in de Zaanstreek, 11 in Hoorn, 17 in de rest van Noord-Holland en een handvol bezuiden de lijn IJmuiden-Amsterdam.

In tegenstelling tot de korenmolens, die evenredig door de provincie verspreid waren, lagen de houtzaagmolens geconcentreerd in centra van economische bedrijvigheid die men met recht de industrieterreinen van de Gouden Eeuw zou kunnen noemen. Het massazagen stond vooral ten dienste van de scheepsbouw. Met de oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie in 1601 en van de Westindische Compagnie 20 jaar later nam de vraag naar schepen en dus naar gezaagd hout een torenhoge vlucht. Van Prooije: 'Neem bijvoorbeeld Hoorn, de bakermat van de razend populaire fluit. Daar stonden alleen al achttien timmerwerven en werden in acht jaar tijd maar liefst tachtig schepen gebouwd.''

Opvallende afwezige in de houtzaaghausse was Amsterdam, waar in 1630 geen enkele houtzaagmolen te bekennen was. Hier deed de machtige arm van de vakbond zich gelden, want het Amsterdamse Gilde van Handhoutzagers wist het spook van de automatisering lange tijd buiten de stadsmuren te houden.

Een eeuw later, in 1730, hadden de houtzaagmolens zowel in absolute aantallen als relatief gezien een dramatische groei doorgemaakt. Van de 1307 produktiemolens in Holland en West-Friesland waren er slechts 351 korenmolens, de overige (956) waren allemaal industriemolens en daarvan weer bijna de helft (448) zaagmolens. Het leeuwedeel van deze zaagmolens (252) stond ook toen nog in de Zaanstreek; andere belangrijke centra waren Amsterdam (78, de modernisering was uiteindelijk zelfs daar niet te stuiten), Dordrecht (27), Rotterdam (18), Alkmaar en Hoorn (beide 5).

Van Prooije schat dat ongeveer tweederde van deze molens paltrokken waren. De rest waren bovenkruiers, het tweede, later ontwikkelde houtzaagmolentype waarbij alleen het bovengedeelte in de wind werd gedraaid. Gezamenlijk zorgde dit immense houtzaagwindmolenpark voor een ongekende economische bedrijvigheid. Alleen al de aanvoer van en de handel in hout vormden een industrietak op zichzelf. Van Prooije: 'De houtvlotterij in de zeventiende en achttiende eeuw, tegenwoordig een vrijwel vergeten aspect van de economie in de Gouden Eeuw, was een activiteit van proporties die doet denken aan de huidige duwbakscheepvaart. Sommige vlotten die de Rijn af kwamen zakken hadden de afmetingen van complete voetbalvelden.''

Verstoming

Van de vele honderden houtzaagmolens uit de zeventiende en achttiende eeuw is nu nog maar een minieme fractie over. Het Grote Verval zette in de jaren veertig van de vorige eeuw in met de 'verstoming' van het houtzaagwezen. Naarmate het aantal stoomhoutzagerijen groeide, werden er meer en meer houtzaagmolens ontmanteld en afgebroken.

Gelukkig zijn er van de beide hoofdtypes fraaie exemplaren overgebleven, waarvan sommige in volle glorie zijn gerestaureerd en door vrijwillige molenaars in bedrijf worden gehouden. Een voorbeeld is de oogstrelende bovenkruier De Jager in Woudsend, lesmolen van het Gild Fryske Mounders en lunch- en slaapcomplex voor de deelnemers aan het Creckwerck-studieweekend.

Van de paltrokken, het oudste en dichtst bij 'het Juffertje' van Corneliszn. staande type, resteren er in het hele land nog maar vijf, waarvan een (De Otter in de Gillis van Lederberchstraat in Amsterdam, gebouwd in 1638) slechts als romp. Van de overige vier draaien alleen De Gekroonde Poelenburg (Zaanse Schans), Mijn Genoegen (Nederlands Openluchtmuseum) en de dit jaar gerestaureerde De Eenhoorn (Haarlem) nog. De Otter en de Zaandamse De Held Jozua zijn vervallen en hard aan onderhoud en restauratie toe.

In Uitgeest koestert de Stichting Uitgeester en Akersloter Molens plannen tot herbouw van de in 1911 afgebrande paltrokmolen De Hoop in een oeverpark aan het Uitgeestermeer, ter nagedachtenis van de beroemde dorpsgenoot.

Deze toekomstplannen, de geschiedenis van het octrooi, de verspreiding van de paltrok- en bovenkruiende houtzaagmolens, en niet te vergeten de technische details en de ambachtelijke praktijk van het windhoutzagen, het leverde voor de molinologen in Woudsend meer dan genoeg stof voor debat en discussie. Discussie die ook onder borrel en diner op geanimeerde wijze werd voortgezet, totdat men gezamenlijk onderuit zakte voor het bekijken van de documantaire film Stoere Werkers.

Dat wil zeggen, alleen het houtzaaggedeelte.